BJ Baartmans

“Je moet de mensen iets teruggeven”

BJ Baartmans is een muzikale duizendpoot. Zanger, tekstschrijver, producer, studio-eigenaar en verhalenverteller tegelijk. En ook een van de meest veelzijdige gitaristen die er rondloopt in Nederland. De 53-jarige inwoner van het Brabantse Boxmeer zit al bijna veertig jaar in de muziek. Het heeft lang geduurd voordat hij zelf achter de microfoon durfde te staan. Twintig jaar geleden verscheen zijn eerste soloalbum met eigen vocalen. Een doorbraak die inmiddels 13 albums heeft opgeleverd. De afgelopen weken tourde BJ Baartmans door Nederland om het jubileum en de release van het bijbehorende Nederlandstalige album ‘De verzamelaar’ kracht bij te zetten. Een interview met een man die naar eigen zeggen op zijn dertiende in een midlifecrisis belandde.

 

De held van de avond komt binnen met zijn spullen en klokt aan de bar een glas water met een pijnstillend pilletje weg. Zwaar bepakt met een tas in elke hand en op zijn rug een gitaar bestijgt hij vervolgens de trap die leidt naar het bovenzaaltje van het Eindhovense muziekcafé het Rozenknopje. Over een paar uur staat hij daar op het podium. Showbusiness in Nederland is hard werken. BJ Baartmans puft uit met een glaasje amaretto, een drankje met volgens hem een geneeskrachtige werking. “Ik ben een beetje verkouden”, luidt de toelichting.” Daar is ’s avonds weinig van te merken. Hij brengt zijn liedjes met verve. Het optreden in het Rozenknopje is een soort thuiswedstrijd. Het applaus is gul.

 


BJ Baartmans, eigenaar van maar liefst 60 snaarinstrumenten, raakte al jong in de ban van de gitaar. Hij vertelt: “Ik was vier toen ik begon gitaren te tekenen. Het zat er al jong bij me in, maar ik moest nog wel een paar jaar wachten voordat ik een echte gitaar in handen kreeg. Ik moest eerst twee jaar blokfluit doorstaan. Maar op mijn achtste mocht ik dan eindelijk op gitaarles. Ik kreeg les van meneer Van Hees, die helemaal niets begreep van mijn fascinatie voor mannen met elektrische gitaren, maar hij leerde mij wel noten spelen. In Eindhoven had ik een paar neven die al wat ouder waren en elektrische gitaren hadden. Van hen heb ik het geleerd. Van mijn ouders kreeg ik een goedkope Japanse gitaar. Daarmee kon ik aan de slag. Eindeloos pielen. Mijn cassetterecordertje draaide overuren. Luisteren hoe mijn favorieten het deden. Het had twee kanten kunnen opgaan met mij, want ik deed in die tijd ook veel aan sport. Voetballen, zwemmen en judo. Ik was een fanatiek judoka. Een bruine band om mijn middel. Op mijn veertiende brak ik bij een stoeipartijtje mijn enkel. Ik kreeg te horen dat ik de eerstvolgende acht maanden niet mocht sporten. Dus werd het de gitaar. In bed heb ik wekenlang liedjes liggen schrijven. Ja, toen al! Als ik iets hoorde dat ik leuk vond, ging ik er meteen aan de slag. Iets naspelen lukte me niet. Als ik een liedje had uitgeplozen, was de interesse om dat liedje te spelen weg. Het was het startpunt om zelf iets te maken.”

Otis Redding

“Twee jaar later, in 1980, zat ik in een band die eigen liedjes speelde. Het eerste jaar traden we zo’n vijftig keer op. In sneltreinvaart gingen we door Nederland. Er is helaas weinig tastbaars overgebleven van die periode. Ik schreef de meeste teksten. Het eerste jaar in die band was ik ook de zanger, maar dat was geen succes. Ik had last van chronische bronchitis. Aan mijn stem is in de loop van de tijd van alles kapot gegaan, maar ik moet het ermee doen. Het heeft lang geduurd voordat ik zelf weer achter de microfoon durfde te gaan staan. Ik ging door met het schrijven van liedjes. Gaandeweg werden die steeds persoonlijker. Daardoor werd het moeilijker om ze met anderen te delen. Een eye opener was dat ik zangers begon te ontdekken van wie ik dacht, als die ermee wegkomen, dan kan ik het ook proberen.” Lachend: “Ry Cooder is geen Otis Redding.”

 

“Midden jaren 90 zat ik in de Bengels, een Nederlandstalige popband.  Op een zondagmiddag traden we op de café De Groot in Eindhoven. Ad van Meurs kwam kijken. Vermanend zei hij tegen mij: wanneer ga je nou eens zelf je liedjes zingen? Hij nodigde me uit om langs te komen in een ander Eindhovens café, de Buut, waar Ad optredens regelde. Een belangrijk moment in mijn leven. De uitnodiging van Ad was een uitdaging voor mij, temeer daar de Bengels uit elkaar vielen. Ik zat zonder band, zonder platencontract en zonder boeker. Maar ik had wel een hoop nieuwe liedjes. Ik zat te popelen om het allemaal te laten horen. Na mijn optreden zei Ankie, de vrouw van Ad en tevens een goede producer, dat ik nog wel iets aan mijn zang moest doen. Ze adviseerde de gitaarpartijen op een cassettebandje te zetten en die af te draaien in de auto. En dan net zo lang meezingen tot het vanzelf gaat. En dat ben ik gaan doen. Toen mijn stem stabiel was en natuurlijk voelde, ben ik thuis aan de slag gegaan. Een basje erbij, hier en daar een pianootje, en voordat ik het goed besefte, had ik thuis een plaat opgenomen. Een klein bedrijfje uit Wychen, New Road Music,  bracht in 1998 ‘The Pawnshop Chase’ uit. Mijn eerste soloplaat was een feit. Inmiddels zijn het er dertien.” Naast het solowerk is BJ Baartmans nog steeds actief in bands, zoals Matthews Southern Comfort en Hidden Agenda Deluxe (elk jaar goed voor een kerst-cd). Ook knapt hij veel sessiewerk op. Voor het Amerikaanse bedrijf True Fire verzorgt hij dvd-cursussen met als onderwerp de slidegitaar en de jaren 50-gitaar. En dan zit hij ook nog regelmatig in zijn Studio Wild Verband in Boxmeer, druk bezig met het produceren en opnemen van albums.

Desert roads

“Ja, ik ben erg laat begonnen als uitvoerder van mijn eigen liedjes. Frontman zijn was niet iets natuurlijks voor mij, ik voelde me meer een begeleider. Ik heb lang gedacht dat dit een handicap was. De vraag was natuurlijk: wat ben ik eigenlijk? Een goede gitarist, een tekstschrijver, een zanger? Of de man achter de schermen? Ik denk dat ik in de loop van de jaren een soort balans heb gevonden. Ik ben een pandjesbaas in tweedehands emoties en verdien de kost met andermans misère. Voor de media is het moeilijk om mij te plaatsen. Het is veel makkelijker als iemand een duidelijk imago heeft. Ze weten nooit helemaal zeker wat ze aan mij hebben. Nu ik soloplaten maak, zeggen ze dat het americana is. Hoezo? Heeft mijn muziek iets met Amerika te maken? Ik denk het niet. Ik ben niet van plan om te gaan zingen over roadhouses en desert roads, dingen die er niet zijn in Nederland, maar de mensen willen dat blijkbaar horen. Maar wat zie je als je in Nederland om je heen kijkt? Dan zie je fietsen en dijken en mensen op terrasjes. In Amerika heb je helemaal geen terrasjes. Het is daar een totaal andere wereld. Ze noemen me nu ook een singer-songwriter. Wat zegt dat nou? Navelstaren met je gitaar? Ik ben gewoon iemand die zijn eigen songs zingt, het maakt niet uit wat voor genre het is. Ik heb ontzettend de schurft aan hoe sommige mensen zichzelf neerzetten om succes te kunnen hebben. Voor mij geen cowboylaarzen en een leren hoed. Ik doe ook geen bandana om mijn hoofd.”

 

BJ Baartmans in actie met Levi Parham.

 

Leeftijd speelt tegenwoordig voor veel muzikanten niet meer zo’n grote rol. “Het is heel lang erg moeilijk geweest om in de rock & roll op een elegante manier oud te worden. Er is een tijd geweest dat ze dachten dat je op je 35ste er al niet meer toe deed. Gelukkig is er nu wel plek voor mensen die op leeftijd zijn en er nog steeds goed werk afleveren. Het publiek is meegegroeid. Veel grijs haar in de zaal. Ik waardeer het zeer dat deze mensen nog komen, maar waar blijven de jongeren?” Veel optredens van singer-songwriters voltrekken zich in de sfeer van een kerkdienst, maar de laatste tijd zijn er regelmatig klachten over mensen die achter in de zaal luid zitten te ouwehoeren. BJ Baartmans is daar geen voorstander van. “Als je voor vijftig mensen je verhaal staat te vertellen, moeten er geen mensen doorheen zitten te lullen. Vreemd eigenlijk. Als mensen betalen om te komen luisteren, dan mag je er toch wel van uitgaan dat ze ook echt voor jou komen. Maar je moet de aandacht natuurlijk wel afdwingen. Als artiest moet je dankbaar zijn dat de mensen bereid zijn om te betalen om jou liedjes te horen zingen. Dat schept toch een soort verplichting. Je moet de mensen iets teruggeven waar ze wat aan hebben.”  
         

Tekst: Sjoerd Punter
Foto’s: Ronald Rietman

Sjoerd Punter