That’s Right (You’re Not From Texas)

 
“As we were driving down the highway
She asked me: Baby, what’s so great
How come you’re always going on
About your Lone Star State?”
 
Het is mijn eerste keer in Austin. Als liefhebber moet je minimaal één keer naar het Mekka van de Americana, en ik had er de vorige zestig jaar geen tijd voor gevonden. Ik ga niet naar een van de beroemde festivals, zoals South By South West half maart, want zulke happenings zijn me te massaal. Ik kies een willekeurige week eind april, maar het leuke van Austin is nou net dat er altijd wel een muzikaal feestje plaatsvindt, liefst onverwacht.
 
Texas is een trotse staat. Ooit onderdeel van Mexico – het heette toen Tejas – werd het na een afscheidingsoorlog tussen 1836 en 1845 een zelfstandige republiek. Maar dat bleek met twee zulke machtige en oorlogzuchtige buren niet vol te houden, en daarom kozen de Texanen na een referendum voor aansluiting bij de VS. Maar in zijn hart is Texas altijd een zelfstandige staat gebleven.
Die trots zie je aan de huizen met altijd twee vlaggen: die van de VS en die van Texas, die met vijftig sterren en die met één ster. De Lone Star State. Toen de Fransen zich in de jaren negentig kritisch uitlieten over de eerste Golf Oorlog – jawel, die van Texaan George Bush senior – en later over de tweede – jawel, die van zijn zoon Bush junior – reageerden de Texanen met de slogan “Texas is bigger than France”. Kinderlijke reactie, maar het klopt wel. En op menig T-shirt in Austin prijkt nu nog de waarschuwing “Don’t mess with Texas”.
 
We hebben weinig geluk. OK, de Sidewinders spelen in Ginny’s, Ian McLagan in The Lucky Lounge, Dan Dyer in Continental, Jon Dee Graham ook in Continental, Scott Miller in The Strange Brew Lounge, Ray Wylie Hubbard in Gruene Hall, en Kevin en Dustin Welch op het Think Tanque Festival, maar op het eerste gezicht zie ik weinig verrassingen. Ik had stiekem gehoopt op Slaid Cleaves of Elisa Gilkyson in The Horseshoe Lounge, maar niets daarvan.
We maken een vreemde keus. Omdat we, mijn broer en ik, ’s middags niets te doen hebben – buiten muziek is er in Austin weinig te beleven – besluiten we naar Jimmy Dale Gilmore te gaan. Ik ben geen groot fan van Jimmy – zijn hoge falsetstem irriteert me zelfs lichtelijk – maar hij speelt in een kerk, de All Saint Episcopal Church, en het lijkt ons bijzonder dat mee te maken.
Dat is het ook. We komen terecht op een koude kerkbank. Op de één na achterste rij, want we zijn te laat en een kerkdienst wacht niet op zijn gasten. Voor het altaar spelen drie mannen op drie akoestische gitaren: Jimmy, zijn zoon, en een vriend. Jimmy verhaalt tussen de songs door uitvoerig van zijn “fijne” leven, vooral na de bekering. Zijn vriend doet er met soortgelijke verhalen nog een slijmerig schepje bovenop, en zijn zoon staat verveeld, een tikje beschaamd, en vooral erg ongeïnspireerd mee te spelen.
In de pauze gaan de kerkbezoekers – concertgangers zou ik ze niet willen noemen - buiten een luchtje scheppen. Een slecht idee, want het is erg warm en koeler in de kerk. Maar ze zijn zonder uitzondering enthousiast, vooral om elkaar te zien en in zo’n devote omgeving bij te praten. Het zijn bijna allemaal bejaarden en gehandicapten, die hard praten; ik vermoed dat een groot deel al wat doof is. Na afloop klappen ze lang en hard voor Jimmy.
 
Texanen zijn trotse muzikanten. En chauvinistisch. Zo bezingt Guy Clark al op zijn eerste plaat (‘Old No.1’, 1975) zijn fascinatie als zesjarig jongetje voor Texaanse treinen:
 
“Look out, here she comes, she’s coming
Look out, there she goes, she’s gone
Screamin’ straight through Texas
Like a mad dog cyclone”
 
Op zijn tweede plaat (‘Texas Cookin’, 1976) verheerlijkt Clark moeders Texaanse kookkunst:
 
“We gonna get a big ol’ sausage
A big ol’ plate of ranch style beans
I could eat the heart of Texas
We gonna need some brand new jeans”
 
Noel McKay, die ik ontmoette op een voedselfestival net buiten Austin, omschrijft zichzelf op ‘Sketches Of South Central Texas’ (2012) als ‘Texas Heart, Mexican Soul’. En Eric Taylor, die op een ranch buiten Houston woont, bejubelt op ‘Resurrect’ (1998) zijn heilstaat:
 
Texas, Texas is a good ’ol girl, man
I think I’ll love her ’till I leave 
 
Onze tweede keus is Ian McLagan. Hij speelt elke donderdagavond in de Lucky Lounge op Fifth Street. Het blijkt een tikje louche tent, en als wij aankomen is er nagenoeg niemand. Het goede nieuws is dat we geen entree hoeven te betalen (in de kerk ook al niet). En er staat apparatuur klaar op een leeg podium.
Ik ben een fan van Ian. Al in zijn tijd bij de Faces, ooit begonnen als The Small Faces. Maar ook daarna, toen hij zich, eenmaal verkast naar Austin, ontpopte als eminent toetsenman op talloze platen. Ik heb geen idee hoe zijn eigen muziek klinkt, maar die moet wel goed zijn. Maar waar blijft hij?
Drie kwartier en twee biertjes later betreden drie piepjonge gastjes boordevol tatoes het podium. Inmiddels heeft een handvol soortgenoten achter ons plaatsgenomen. Dan opeens stort de band een enorme bak herrie over ons uit, een mengeling van punk en hard rock, en vooral erg hard. Ian McLagan is in geen velden of wegen te bekennen. Wij vluchten na twee songs de zaal uit, om straks niet te hoeven aansluiten bij die doven uit de kerk.
Bij de uitgang informeer ik nog even naar Ian. Zijn optreden blijkt niet om 20.00 uur te hebben plaatsgevonden, zoals aangekondigd, maar om 18.00 uur, en was net afgelopen toen wij arriveerden. Maar iedereen weet toch dat hij elke donderdag om 18.00 uur speelt?
 
Die adoratie voor, bijna obsessie met, Texas is bij geen muzikant zo sterk als de boomlange en broodmagere Texaan Lyle Lovett. In de VS vooral bekend van zijn kortstondige huwelijk met actrice Julia Roberts, maar in werkelijkheid de meest onderschatte Texaanse troubadour.
 
“I’m a long tall Texan
I wear a ten-gallon hat”
 
Dit blijkt uit zijn songs, zoals ‘South Texas Girl’, ‘San Antonio Girl’, ‘West Texas Highway’, ‘Texas River Song’ en ‘Long Tall Texan’ (gezongen met Randy Newman). Op ‘Step Inside This House’ (1998) neemt hij zelfs de ‘Texas Trilogy’ op: drie liedjes van Steven Fromholz over het leven in Texas.
Bij geen ander vinden we zoveel verwijzingen naar het eenzame cowboybestaan, direct al op ‘Cowboy Man’, de eerste track van zijn eerste cd ‘Lyle Lovett’ (1986), en ook op ‘Walk Through The Bottomland’ van zijn tweede cd ‘Pontiac’ (1987). Niemand is zo onafscheidelijk van zijn laarzen en hoed – uiteraard een John B. Stetson -  zoals in ‘Don’t Touch My Hat’. En nergens zijn de meisjes mooier dan in Texas:
 
“Thank Mother Maria
There’s nothing so sweet
As the undying love
Of a South Texas girl”
 
Eén concert steekt op papier – de wekelijkse Austin Chronicle – met kop en schouders boven de rest uit. Op vrijdag 25 april treedt namelijk Jack Ingram op in het Moody Theater. Ik heb geen idee wat dat is, maar het ligt 310 West aan de Tweede Straat, die als bijnaam de “Willie Nelson Boulevard” draagt. Dat geeft de doorslag.
Ook de line up is bijzonder. Want naast Jack Ingram speelt Lyle Lovett, Buddy Miller, Scott Miller en nog een serie andere namen. De dag ervoor speelde Jack ook al, ditmaal met onder andere Sheryl Crow. Had die niet een verhouding met Lance Armstrong, vóór zijn val? Lance woont ook in Austin, maar hij laat zich tegenwoordig wat minder zien...
 
Moody blijkt een enorm theater, een soort overdekte Arena. Heel anders en veel groter dan alle andere tenten, die eigenlijk aangeklede kroegen zijn. De beroemde Austin City Limits serie blijkt hier plaats te vinden. Het publiek is ook heel anders: de meisjes piekfijn opgedoft en de heren op hun paasbest. Bij de ingang vindt een douaneachtige controle plaats. Dreigt hier terroristengevaar? Zou George Bush Himself komen?
Ik mag er niet in, want ik heb in een tasje mijn i-Pad verstopt. Die moet ik in de huurauto achterlaten, en pas dan mag ik binnentreden. Maar we hebben nog alle tijd. Het concert begint namelijk om 21 uur, en het is pas 20.30 uur. Op het podium loopt Jack Ingram al rond, samen met Matthew McConaughey, een acteur.
Die McConaughey ken ik van zijn rol als Mickey Haller in The Lincoln Lawyer, naar het gelijknamige boek van mijn favoriete thrillerauteur Michael Connelly. In de VS is hij vooral bekend als “mooie jongen”, als acteur in romantische draken, en recentelijk in True Detective. Hij woont in Austin, met zijn vrouw, de Braziliaanse schone Camila Alves, die ook rond het podium draalt. Maar wat doen ze daar?
 
Rond 21.00 uur pakt Jack Ingram de microfoon; Matthew staat naast hem. Of wij, geëerd publiek, nog even geduld willen hebben, want voordat de fantastische show, met Jack zelf in de hoofdrol, begint, wacht ons een verrassing. En het gaat om een goed doel: kinderen met kanker, waarvoor geld ingezameld moet worden. En wel nu.
Ik hoor dit niet-begrijpend aan, en daar verschijnt een nieuwe spreekstalmeester op het podium. Ook die wordt aangekondigd als een locale bekendheid. Hij blijkt de veilingmeester. Dan rijdt ineens een levensgrote namaak Texaanse koe, een Texan Longhorn, het podium op. Op zijn lijf staan de namen van beroemde Texanen, de meeste musici.
De veilingmeester begint in een razend tempo te ratelen. Hij is totaal onverstaanbaar, maar vermoedelijk brult hij een gestaag stijgend bedrag, dat voor de monsterlijke koe moet worden opgebracht. Vóór het podium staan drie adjudanten en Camila de eerste rijen op te hitsen om in te stemmen met het laatstgenoemde bedrag. Af en toe steekt er één zijn hand op, waarna een hysterisch gejuich losbarst. De veilingmeester beschouwt dit als aanmoediging om nog sneller en nog harder door te gaan voor een nog hoger bedrag.
Zo gaat de eerste koe voor rond de 50.000 dollar van de hand. Onmiddellijk daarna wordt de tweede koe het podium opgereden, die zo mogelijk nog lelijker is dan de eerste. Het hele verhaal begint van voren af aan. De tweede koe, ditmaal een met handtekeningen van spelers uit het beroemde Texaanse Longhorns footballteam van 1969, gaat voor 80.000 dollar naar een gulle gever. De derde voor 100.000, waarna het publiek uitzinnig wordt.
 
Het is nu tijd voor een moment van bezinning. Jack neemt weer het woord, en vertelt bijna huilend dat zijn broer – het kan ook de broer van Matthew geweest zijn – binnenkort vrijwillig naar Afghanistan vertrekt om daar zijn land te verdedigen. Een enorm applaus barst los. Het is inmiddels 21.45 uur, en Jack vraagt nog een beetje geduld. Want er moeten nog drie koeien geveild worden. Ik kan het niet langer aanzien en verlaat de zaal.
Als ik om 22.15 uur terugkeer, staat de laatste koe op het podium. Een knal zilveren glitterkoe! Nu gaan de schatrijke Texaanse boeren in het publiek pas echt los, en de prijs stijgt tot 250.000 dollar voor de laatste koe. Jack heeft snel laten uitrekenen dat er nu in totaal zo’n 600.000 dollar voor de arme kindertjes met kanker is opgehaald. Helaas is dat net iets minder dan de vorige avond (die met Sheryl Crow). Dus moet er nog een beetje meer geld loskomen, en daarvoor begint hij spontaan een laatste veiling zonder koe...
 
Rond 22.45 uur is het podium omgebouwd en klaar voor de artiesten. Daar komt Lyle Lovett, in zijn uppie. Hij zet in met ‘If I Had A Boat’. Dan kondigt hij een “goede vriendin” aan, en onaangekondigd stapt Shawn Colvin het podium op. Samen brengen zij een schitterende, tweestemmige versie van ‘Walk Through The Bottomland’. Ik leef helemaal op, en verwacht toch nog een geslaagde avond.
Maar dan is het al voorbij. Jack verschijnt weer op het podium en kondigt de volgende ster aan: Buddy Miller. Die mag zowaar drie liedjes doen, voordat hij wordt weggestuurd. Nu is het tijd voor de superster van de avond: Jack zelf, die ook drie liedjes doet (extra lange). Er wachten daarna nog drie mindere sterren, maar die heb ik niet meer gezien. Gedesillusioneerd verlaten mijn broer en ik de Willie Nelson Boulevard.
 
Gelukkig revancheert Lyle zich. Wij zien hem een week later terug op het Jazz & Heritage Festival In New Orleans, waar hij de donderdag afsluit met een prachtig concert. Niet in ’t minst dankzij een fantastische band, met Viktor Krauss op bas, Russ Kunkel op drums, John Hagen op cello, en geflankeerd door de jonge honden Keith Sewell op gitaar en mandolin, en Luke Bulla op viool. Met als absoluut hoogtepunt:
 
“You say you’re not from Texas
Man as if I couldn’t tell
You think you pull your boots on right
And wear your hat so well
 
So pardon me my laughter
’Cause I sure do understand
Even Moses got excited
When he saw the promised land
 
That’s right you’re not from Texas
But Texas wants you anyway”
 
Wat ze allemaal verdomd goed begrijpen, daar in Louisiana.
 
Inspiratie:
● That’s Right (You’re Not From Texas) – Lyle Lovett (The Road To Ensenada, 1996)
● That’s Right (You’re Not From Texas) – Lyle Lovett (Live In Texas, 1999)
● Long Tall Texan – Lyle Lovett (The Road To Ensenada, 1996)
● South Texas Girl – Lyle Lovett (It’s Not Big, It’s Large, 2007)
 
Author: 
Johan Doove