No Sure Way

 

“Heaven is high above us
Hell is not so far below”


Meestal is zo’n film op tv niks. Een derderangs avondvuller of de zoveelste vertoning van een grijsgedraaide klassieker. Maar onlangs verraste “Big Fish” van cineast Tim Burton me. Een prachtige film, deels bizarre realiteit, deels sprookje, over een vader die op sterven ligt. Zijn zoon probeert nog eenmaal met hem in contact te komen, want dat is nooit goed gelukt. Vader blijkt een onverbeterlijke fantast, die graag wonderbaarlijke levensverhalen vertelt, waarvan steeds onduidelijk blijft welke deel een stukje waarheid bevat, en welk pure verzinsels.
De film bevat nog een verrassing. Halverwege duikt in een figurantenrol ineens één van mijn absolute favorieten, Loudon Wainwright III, op. Ik had het kunnen weten, als ik het hoesje van zijn laatste plaat “Here Come The Choppers!” uit 2005 beter had gelezen. Daarin vertelt Loudon namelijk hoe hij in het voorjaar van 2003 ‘Hank & Fred’ schreef (waarover u had kunnen lezen in ‘Hank Williams’ Ghost’) in Montgomery, Alabama, tijdens de opnamen van die film. Zijn bijdrage bestond, volgens Loudon zelf, voornamelijk uit wachten.

Loudon Wainwright is de “grootste vis” die ik als popjournalist ooit ving. Misschien niet de bekendste, maar wel een van de beste, en zeker de beste tekstschrijver. “Loudon schrijft teksten voor volwassenen”, zei Shawn Colvin eens in een tv-documentaire. Een rake observatie, vooral als je je realiseert dat dat een uitzondering vormt in de popmuziek, waarin het overgrote merendeel van de songteksten de intellectuele en emotionele diepgang van de leefwereld van verliefde pubers niet overstijgt.

Natuurlijk wordt er ook wel eens een serieus onderwerp aangesneden. En ging Dylan niet al in de jaren zestig voorop in de strijd van bezielde maatschappijkritiek? Misschien wel, maar de man nam later zelf afstand van zijn voortrekkersrol als wereldverbeteraar. En op de keeper beschouwd is van die zo vaak bejubelde invloed van de Dylan’s en andere modieuze criticasters op hun luisteraars niks terecht gekomen. Zijn die vroegere fans en volgelingen niet inmiddels allemaal gearriveerde vijftigers, dikbuikige babyboomers, in bijna alle opzichten de evenknieën van hun vaders, die zij indertijd zo verachten?

Nee, dan Loudon. Ook hij werd in de jaren zestig gelanceerd als een “nieuwe Dylan”, maar zijn teksten klonken al direct heel anders. Hij bezong zijn mislukte huwelijk met Kate McGarrigle en andere pijnlijke liefdesescapades. Hij bezong zijn liefde voor zijn kinderen, Martha en Rufus, en zijn mislukte pogingen er als opvoeder iets van te bakken. ‘Be Careful There’s A Baby In The House’, ‘Rufus Is A Tit Man’, en ‘Five Years Old’. Zo’n 20 jaar en even vele platen lang duiken hun lotgevallen op in zijn werk. Op Want One gaf Rufus zijn vader een koekje van eigen deeg terug in het genadeloze ‘Dinner At Eight’.

Loudon observeert en noteert met een scherpte die je – Randy Newman uitgezonderd – bij geen enkele andere popzanger aantreft. En hij schrijft prachtige liedjes. Zoals ‘No Sure Way’ op “Here Come The Choppers!”, verreweg het beste 9.11-liedje van de talloze die ik inmiddels hoorde, inclusief Springsteen’s complete “The Rising”. Juist omdat hij geen Grote Woorden gebruikt, maar niets anders doet dan het beschrijven van een ondergrondse metrorit in New York tot het moment dat de trein het fatale station passeert. Met alleen die drie letters ‘WTC’. En dit lied bevat de onsterfelijke strofe:

“Heaven is high above us
Hell is not so far below”.

 
Als het interview na 20 minuten is afgelopen – méér mocht beslist niet van de dame die zich voordeed als zijn ‘manager’ – zegt Loudon Wainwright III tot mijn verbijstering: “Zullen we een hapje gaan eten?”. Is dit de man die er in ‘One Man Guy’ prat op gaat elke avond alleen te dineren? Van schrik komt er van de voorbereide vragen niets meer terecht, en praten we als twee gewone mannen over werk en liefde, over scheiding en kinderen, kortom al die dingen die echt belangrijk zijn in het leven, en waar Loudon’s complete oeuvre over gaat.

“Iedereen vraagt me wat ik vind van het succes van mijn kinderen. Als vader ben ik natuurlijk apetrots. Vooral mijn zoon Rufus barst van het talent, maar ook Martha schrijft goede songs. Ik vind het leuk dat ik meedoe op hun platen. De muziek zal wel in hun genen zitten, maar ik zie ze totaal niet als concurrenten. Randy Newman, die luilak, en Tom Waits, die bastaard, dát zijn mijn concurrenten. Met Here Come The Choppers heb ik die laten zien hoe je een goede plaat maakt.”

Die kinderliefde is aandoenlijk, maar zoon en dochter kunnen nog lang niet tippen aan vader. Hun liedjes missen de eenvoud, de humor en de diepgang. Zoals in het ontwapenende ‘When You Leave’, waarin Loudon ruiterlijk erkent dat scheiden voor kinderen vaak funest uitpakt. Maar de kinderen groeien op, en komen op bezoek. Misschien valt het toch wel mee allemaal? Nee, want dan blijkt dat zij slechts hun eigen weg zoeken en dat contact nauwelijks mogelijk is. “Mijn kinderen zijn me dierbaar”, vertelt Loudon, “Al zijn ze eerlijk gezegd soms ook een ‘pain in the ass’. Ik houd van ze, maar zij moeten niet vergeten wie er met hun moeder heeft geslapen!”.

Nog geen honderd man bezoeken die avond de Rotterdamse Nighttown, en zij krijgen eerst een optreden van Lebbis (Hans Sibbel) te verstouwen. Lebbis imponeert niet, maar toont zich wel een Loudon-fan; ooit deed hij een cover van ‘Hard Day On The Planet’ op tv. “Hoeveel fans heb ik in Nederland?”, vraagt Loudon bij opkomst. “Ik heb geen idee, maar ze zijn vast allemaal oud en grijs”, concludeert hij na een snelle blik in de zaal.

Loudon begint met ‘One Man Guy’, dat Rufus coverde op Poses. Dan ‘Five Years Old’, het hilarische verjaardagskado voor zijn dochter Martha (“The pet store was all out of pony’s”), en daarna ‘A Year’ over zijn jongste dochter die hij in haar eerste levensjaar nooit zag. Vervolgens ‘The Picture’, over zijn zus Teddy, direct gevolgd door het nieuwe ‘Half Fist’ over zijn grootvader, Loudon I.
Wat nieuwe songs, waaronder het nog niet op de plaat gezette ‘Grey In LA’, en dan ‘White Winos’, zijn ode aan moeder Martha, die enkele jaren geleden overleed – Loudon wijdde zijn hele plaat Last Man On Earth aan haar dood. Ineens valt me op dat Loudon bij ons diner ook witte wijn bestelde. Daarna volgt ‘Sometimes I Forget’, opgedragen aan zijn overleden vader Loudon II. En dan ‘Your Mother And I’, waarin hij aan zijn tweede dochter Lucy op pijnlijk openhartige wijze uitlegt waarom hij en haar moeder (Suzy Roche, van het damestrio The Roches) uit elkaar gaan.

“In de kleedkamer staan de muren vol gekliederd met namen van artiesten die hier ooit hebben gespeeld”, vertelt Loudon. “Eén ervan is Johnny Cash. Wisten jullie dat hij mijn song ‘The Man Who Couldn’t  Cry’ heeft gecoverd? Heeft iemand hem hier zien spelen?” “Ja, ik”, roept de man naast me, “En hij zong toen ‘The Man Who Couldn’t Cry’”. “Wow”, antwoordt Loudon, voordat hij het lied zelf inzet.
Als laatste komt ‘A Father & A Son’. “We hadden er nog één te gaan”, zegt Loudon. Dit is het lied voor zijn oudste kind, en enige zoon Rufus. En dan pas valt het kwartje. Alle belangrijke familieleden, alle vier kinderen zijn één voor één in de show voorbijgekomen.
Na ons diner maakte Loudon nog een kleine wandeling, alleen door het centrum van Rotterdam, en toen pas stelde hij zijn show voor die avond samen. Mij bekruipt plotseling het ongelofelijke gevoel dat dit optreden één lange illustratie was van wat hij tijdens het diner al tegen me zei: “Je kinderen en familie – die zijn pas echt belangrijk”.

Ik prijs me gelukkig dat ik een avond doorbracht met één van de grootste liedjesschrijvers van onze tijd. Maar ik kan niet begrijpen dat hij zijn tijd moet verdoen en wat moet bijbeunen met onbeduidende figurantenrolletjes in B-films. Erkenning en gerechtigheid wachten ook Loudon Wainwright III pas in de Hemel. Voorlopig ploetert hij verder in die Hel hier beneden.

Johan Doove

Inspiratie:
● No Sure Way – Loudon Wainwright III (“Here Come The Choppers!”, 2005)

Deze column is een bewerking van een artikel uit 2005 voor het Financieele Dagblad. De krant weigerde het te publiceren, omdat het “te persoonlijk” was.
 

Author: 
Johan Doove