A Case Of You

 

“Just before our love got lost you said
‘I am as constant as a northern star’
And I said ‘Constantly in the darkness,
Where’s that at? If you want me I’ll be in the bar!’”


Dit voorjaar was ik beroepshalve in Sydney, en natuurlijk ging ik snel op zoek naar de beste locale muziektent. Die blijkt daar ‘The Basement’ te heten, en hij lag op maar twee straten van mijn hotel in George Street. Bij binnenkomst word je direct verrast door de prachtige zwart/witfoto’s aan de muur van fameuze artiesten die er hebben gespeeld. Helaas viel het aanbod die week tegen; alleen op de laatste avond van mijn verblijf een optreden van Larry Carlton en Robben Ford, een avond- en een nachtconcert zelfs.
Carlton en Ford zijn twee topgitaristen, maar hun show werd aangekondigd als jazz. Ik houd niet van jazz. Of ik begrijp het niet – dat kan ook. Ik mis erin de songs. In mijn perceptie zijn jazzmusici op hun instrument vaak virtuozen, maar ook egotrippers, die op het podium in ellenlange solo’s eindeloos hun technische kunsten etaleren. Dat lijkt me vooral leuk voor hen zelf, maar als luisteraar haak ik al snel af. De paar jazzplaten in mijn collectie draai ik zelden. Volgens mij moet je jazzmusici alleen inhuren voor korte solo’s in popsongs.
Daar ken ik beide heren dan ook van. Van talloze studioplaten uit de jaren zeventig, van Steely Dan en the Crusaders (Carlton) tot George Harrison en Little Feat (Ford). Maar vooral van hun werk met Joni Mitchell. Carlton verzorgde het gitaargeluid op Joni’s topplaten uit die jaren, en Ford begeleidde haar in die tijd op de bühne als gitarist van de LA Express.
In jazz mis ik ook het persoonlijke, de emotie. En dat is nou precies wat Joni Mitchell wel biedt, misschien zelfs wel wat teveel. Haar muziek kenmerkt zich door een schaamteloze openhartigheid, vooral over haar liefdesleven. Daarover zijn de meningen sterk verdeeld.
Aan de ene kant vormt Mitchell de verpersoonlijking van het ik-tijdperk, het stempel dat op de jaren zeventig drukte na het echec van het maatschappelijke engagement uit de jaren zestig. Haar uitzonderlijk persoonlijke teksten getuigen van een moed en eerlijkheid, die maar weinig eerder was gehoord.
Maar aan de andere kant klinkt het verwijt dat zij haar privé-leven misbruikte als bron van inspiratie voor haar liedjes. Eén van haar tijdgenoten zegt in ‘Hotel California’, Barney Hoskyns’ genadeloze analyse van de ‘cocaïne cowboys’ uit de vroege jaren zeventig: “Joni knoopte met alle interessante mannen relaties aan. Ze gebruikte ze, en liet ze daarna keihard vallen, alleen om in haar songs ‘Fuck you’ te kunnen zeggen”.
Inderdaad verslond Mitchell in die dagen partners. Volgens Hoskyns’ boek onderhield zij relaties met onder andere Jackson Browne, David Crosby, Graham Nash, John David Souther, Steve Stills en James Taylor. Zeg maar de hele CS&N (minus landgenoot Young), plus de nodige randfiguren uit de trendy LA-muziekkliek.
Maar het waren de nadagen van de ‘vrije liefde’, en Joni was nog jong en onzeker over de rol van de liefde in haar leven:
“I’ve looked at love from both sides now
From give and take, and still somehow
It’s love’s illusions I recall
I really don’t know love at all.”
En het leverde prachtige liedjes op. Zoals ‘Both Sides Now’ en ‘Willy’, troetelnaam voor Graham Nash – waarschijnlijk haar grootste liefde uit die tijd. Nash zelf bezingt zijn prille geluk met Joni op Lookout Mountain Avenue in LA in de bekende CS&N-hit ‘Our House’. Neil Young’s ‘Only Love Can Break Your Heart’ verhaalt van het ongelukkige einde van hun verhouding.
Na de breuk met Nash was Joni zo onverstandig een korte vrijage met Stephen Stills aan te gaan, wat de relatie tussen beide heren voorgoed bekoelde. Daarop volgde een nog kortere affaire met J. D. Souther – de grootste versierder van de LA-muzikantenmaffia. Het verhaal gaat dat Joni net bij zijn huis arriveerde toen Linda Ronstadt de deur werd uitgezet. Daarna, ten tijde van ‘Blue’ en ‘For The Roses’, startte zij een moeizame relatie met James Taylor, die niet te genieten was door zijn heroïneverslaving.
Boeiende roddel allemaal, maar doet het ter zake? Ik denk ’t niet. Mitchell maakte in die jaren haar beste werk, en die platen, die songs staan nog steeds als huis. Haar teksten zijn weliswaar persoonlijk, maar ook vlijmscherp, en zoals iedere goede tekst een duister mengsel van autobiografische ervaringen, heldere analyses, afstandelijke observaties en dichterlijke verzinsels. Hoe de verhouding tussen die ingrediënten precies ligt, verschilt per liedje, en mag de luisteraar zelf bepalen. Als het maar een tijdloze tekst oplevert, waarin eenieder het zijne of hare kan herkennen. Zoals in deze:
“I remember that time you told me
You said ‘Love is touching souls’
Surely you touched mine
‘Cause part of you pours out of me
In these lines from time to time.
Oh, you’re in my blood like holy wine
You taste so bitter and so sweet
Oh, I could drink a case of you, darling
And I would still be on my feet.”

Meer dan vijfendertig jaar later raakt deze tekst me nog steeds. En niet alleen mij, want een grote schare hedendaagse artiesten rekent zich nog altijd tot haar fanclub. Dat blijkt opnieuw uit een pas verschenen tribute-album, met medewerking van vele coryfeeën. Het valt op dat zij allemaal een liedje kiezen van vijf-sterren-platen als ‘Blue’, ‘For The Roses’, ‘Court And Spark’, ‘The Hissing Of Summer Lawns’ en ‘Hejira’. Niets van haar jazzescapades daarna, en ook bijna niets van haar mindere rockplaten uit de jaren tachtig.
Toch falen al die grote namen. Zo zijn de covers van ‘The Magdalene Laundries’ door Emmylou Harris en ‘Help Me’ door K.D. Lang wel aardig, maar ze voegen niets toe aan het origineel. ‘Blue’ door Sarah McLachlan en ‘Ladies Of The Canyon’ door Annie Lennox zijn ronduit overbodig, en ‘The Boho Dance’ is in de versie van Björk zelfs niet om aan te horen.
Sufjan Stevens steekt ‘Free Man In Paris’ in een boeiend nieuw jasje, maar hij maakt er een geluidsminiatuurtje van, in plaats van een lied met kop en staart. Elvis Costello vertolkt ‘Edith And The Kingpin’ met veel respect, maar het resultaat klinkt toch steriel. Alleen James Taylor weet ‘River’ helemaal naar zijn hand te zetten, wat pikant is, als je bedenkt dat Joni dit schreef terwijl ze het met hem hield.
Maar de hoofdconclusie blijft: Joni is onnavolgbaar. Met één uitzondering. Want de meest opmerkelijke fan maakt de allermooiste bewerking, de enige die het origineel overtreft en daar echt iets aan toevoegt – het enige bestaansrecht van een cover. Het is Prince, die zich met ‘Sometimes It Snows In April’ in 1986 al schatplichtig aan Mitchell toonde, en die nu een bloedstollend mooie versie van ‘A Case Of You’ neerzet, al gebruikt hij maar een fractie van de oorspronkelijke tekst.
Mooie muziek is tijdloos, en Prince – zelf al zo’n 20 jaar ‘over the hill’ – bezorgde me een onverwachte Mitchell-revival. Eigenlijk begon die al in Sydney, toen mijn Oostenrijkse collega Gerhard Früholz me overhaalde naar dat nachtconcert van Larry Carlton en Robben Ford te gaan. Daar bleken al mijn vooroordelen over jazz onterecht, want het was een prima optreden van twee wereldgitaristen, een fantastische, onbekende drummer en Larry’s zoon op bas (binnenkort ook te zien op North Sea Jazz!). Maar mijn stille hoop werd niet bewaarheid: ze speelden geen enkel liedje van Joni Mitchell…

Johan Doove

Inspiratie:
● A Case Of You – Joni Mitchell (‘Blue’, 1971)
● A Case Of You – Prince (‘A Tribute To Joni Mitchell’, 2007)
 

Author: 
Johan Doove