Two Sevens Clash

 

“What a liv and bomba yea
When the two sevens clash”


“Zo vader, zo zoon”, zegt een belegen tegelwijsheid. Ik heb er nooit in geloofd.
Mijn vader hield niet van muziek. Hij had er geen hekel aan, maar wist er niets van en gaf er nog minder om. Literatuur, dat was zijn leven. Hij begreep het daarom ook niet, toen in de jaren zestig bij zijn oudste zoon, schijnbaar uit het niets, die passie voor muziek opdook.
Mijn muzikale vorming vond plaats vanaf pakweg 1965. Ik was toen twaalf jaar oud en net verkast naar de eerste klas van het Apeldoorns Veluws College. Apeldoorn was toen – en is nog steeds – een dodelijk saai dorp, en dus stortte deze jonge puber zich op de muziek. Het was een voor de popmuziek unieke periode, met de opkomst van Beatles, Stones, Kinks en talloze andere, vooral Engelse bands, die je op de “piratenradio” dagelijks kon beluisteren. Radio was in die tijd nog een spannend en invloedrijk medium.
Mijn vader zag dit alles met lede ogen aan. Hij dacht eerst dat zijn zoon leed onder een bevlieging van voorbijgaande aard, maar dat bleek al snel een vergissing. Toch kocht hij in 1967 een platenspeler voor zijn twee zonen. De oudste kocht onmiddellijk zijn eerste single, “King Midas in Reverse” van The Hollies. Bijna wekelijks dienden zich fantastische nieuwe singles aan. Ik herinner me nog de verpletterende indruk die Stg. Pepper maakte na zijn eerste draaibeurt op onze Philips platenspeler. De verbijstering toen ‘Sympathy For The Devil’ voor ’t eerst klonk. ‘Autumn Almanac’ is nog steeds mijn favoriete single.
In die dagen was de relatie tussen mij en mijn vader gespannen. Wij hadden een, toen heel gebruikelijk “generatieconflict”, als gevolg van het feit dat mijn haren te lang waren – in mijn vaders ogen – en dat ik niet meer naar de Kerk wilde. Dat alles doet hier weinig ter zake, maar leidde er wel toe dat mijn vader zich altijd laatdunkend, afkeurend of anderszins onaardig uitliet over mijn muzikale voorkeuren (en mijn gitaarspel).
Daarom heb ik mij, toen ik zelf vader werd, voorgenomen nooit iets negatief te zeggen over de muzikale voorkeuren van mijn zoon, ook al zou ik die verafschuwen. Ruben bleek muzikaler dan ik – hij is eerste klarinettist in het Utrechts Jeugd Domstad Orkest – en toen ik hem naar zijn favorieten vroeg, noemde hij Kanye West en Opgezwolle.
Ik geef niets om hiphop, en weet er nog minder van, maar omdat de laatste plaat van deze Zwollenaren als een van de beste in het genre was bestempeld, heb ik ’m van mijn zoon geleend en beluisterd. Ik vond het niks. Ik heb ‘Mystery Repeats’ van Pete Philly & Perquisite – volgens OOR! de top van de Nederlandse hiphop – aangeschaft en beluisterd, maar ook die verveelt me. Ik ga ’m aan Ruben geven.

Vorig jaar vroeg Ruben opeens of ik iets van Bob Marley had. Zeker, een prachtige 4-CD box zelfs. Die belandde al snel op zijn MP-3-speler. Daarna informeerde ik voorzichtig of hij wel eens van Peter Tosh had gehoord, of Bunny Wailer. Van Burning Spear, Congo’s, Gladiators, Heptones, Gregory Isaacs, Mighty Diamonds, Wailing Souls. Allemaal belandden ze op zijn MP-3-speler.
Ik vertelde over Lee Perry. Hoe die apestoned in het schuurtje in zijn achtertuin – de legendarische “Black Ark Studio” – aan de knoppen zat te schuiven, en zo de “dub” uitvond. Over het ontstaan van de reggae in de sloppenwijken van Kingston, Jamaica uit ska en rock steady. Over haar grote invloed op de popmuziek, van Specials en Madness tot Joe Jackson, The Police en Doe Maar.
Maar de mooiste verhalen levert de religie van de dreadlocks, de “rastafari”. OK, alle godsdiensten zijn ongeloofwaardig en – Marx had gelijk – opium voor het volk; bestemd voor sukkels, en bedoeld om de massa’s dom te houden. Tegenwoordig fulmineren politici te pas en vooral te onpas tegen de islam. En jezelf opblazen in de hoop in het hiernamaals met 77 maagden beloond te worden, is inderdaad belachelijk.
Maar ook het christelijk geloof is achterlijk. Zo geloven de katholieken dat Maria, de moeder van Jezus, onbevlekt is ontvangen, en dat haar zoon uit de dood is opgestaan, waarna overigens niemand meer iets van hem heeft gehoord of gezien. Zij geloven in wonderen en in het bestaan van een Heilige Geest. Mijn joodse collega eet nog steeds geen hap varkensvlees, terwijl rundvlees veel gevaarlijker is.
Toch is het alleridiootste geloof dat van de Rastafari, de religie van bijna alle reggae-artiesten. Zij geloven dat Haile Selassie, de toenmalige keizer van Ethiopië, God is. Dat ging zelfs Selassie wat te ver. Hij nodigde Bob Marley uit om naar Ethiopië te komen, en gaf hem vriendelijk, maar beslist te kennen dat hij Groot was en Keizer, maar geen God. Maar, zoals dat gaat met gelovigen, het hielp niet. Ze bleven hem tot zijn dood als God aanbidden. In het jaar 1977 werd van Selassie een waar wonder verwacht. Dat kwam niet.
Rastafari geloven dat een boot, de “Black Starliner”, zou komen om hen te verlossen, en in te schepen terug naar het beloofde land Ethiopië. Dat had hun profeet, de Jamaïcaanse nationale held Marcus Garvey, immers voorspeld. Daarom verwachtten zijn volgelingen in juli 1977 een verlossende boot te zien arriveren in de haven van Kingston. Die kwam niet.
Rastafari geloven dat het gezond is marihuana te roken; dat doen ze dan ook in stevige porties, zodat de meeste reggaeplaten onder invloed zijn opgenomen – wat hun kwaliteit zeker ten goede is gekomen. Al die ophef over softdrugs is zwaar overdreven, maar roken, ook van marihuana, is niet gezond. Bob Marley overleed aan kanker.

Van al die verhalen smulde mijn zoon. Hij is inmiddels de grootste reggaekenner van zijn school, het Utrechts Stedelijk Gymnasium, en bezocht onlangs zijn eerste reggaeconcert (“allemaal dreadlocks, die stoned waren en met hun armen zwaaiden, dus deed ik maar mee”).
Onlangs vierden wij samen de heruitgave van de eerste van onze favoriete reggaeband: Culture. Die eerste elpee verscheen op 7 juli 1977 (7.7.’77) en heet dan ook Two Sevens Clash. Een Rasta-profetie luidde namelijk dat er iets opmerkelijks zou gebeuren op die 7e juli, maar dat gebeurde niet (behalve het verschijnen van deze plaat).
Voor mijn verjaardag heb ik de “30th Anniversary Edition” van Two Sevens Clash gevraagd en gekregen, en hij klinkt nog even fantastisch als 30 jaar geleden. En het stoort mij en mijn zoon helemaal niet dat al die rasta-teksten belachelijk zijn. Sterker nog: volgens ons geloven die rastafari ze zelf ook niet. Zo vader, zo zoon.

Johan Doove

Inspiratie:
● Two Sevens Clash – Culture (1977)
● Two Sevens Clash / the 30th Anniversary Edition – Culture (Shanachie, 2007)
 

Author: 
Johan Doove