Music

 

“Music is playing inside my head

Over and over and over again, my friend,
There’s no end to the music”
 
Muziek hoort tot de mooiste en belangrijkste dingen in mijn leven. Dat vermoedde u al, anders schreef ik niet geheel belangeloos deze column. En ik vermoed dat voor u, lezer van dit stukje, hetzelfde geldt, anders las u dit niet, al even belangeloos.
Dus schrijf ik over de muziek van mijn hart, want wat heeft het voor zin te schrijven over muziek waar ik niets om geef? Eens per maand recenseer ik voor een landelijke krant zes nieuwe plaatjes, en daarvoor kies ik alleen muziek die ik de moeite waard vind. Het is al erg genoeg dat zo’n stukje maar 120 woorden mag beslaan (vijf, zes regeltjes), en waarom zou ik daarin slechte CD’s gaan afkraken? Evenzo spreek ik alleen met artiesten die ik interessant vind en bewonder, een luxe-positie die ik mij kan veroorloven omdat ik geen beroepsmatige popjournalist ben en niet in de rij wil staan met mijn minder gelukkige collega’s.
Maar dit betekent niet dat ik alle muziek goed vind. Of dat ik mij niet kan ergeren aan slechte muziek. In tegendeel, zo leerde deze vakantie mij. Ik vertoefde in Italië, Calabrië om precies te zijn. Met het appartement was niet veel mis, met het landschap en het eten evenmin. Mijn kinderen genoten van het zwembad, en mijn vrouw van de zon. Maar waarom schalde er de hele dag muziek uit de boxen naast het zwembad?
De kinderdisco van een halfuur is nog te billijken. Maar die leuke, “populaire” hits die je in zulke omstandigheden de hele dag moet horen, vormen voor mij een ware kwelling. Zo kan ik u verklappen dat ik een enorme hekel heb aan het nummer ‘W.M.C.A.’, die hersenloze homo-discohit, die ik drie weken lang elke dag heb moeten horen. Ik vind ‘Eye Of The Tiger’ een vervelend en stompzinnig nummer, en heb een zo mogelijk nòg grotere afkeer van ‘The Finale Countdown’, dat ridicule Veronica-deuntje.
Ik haat house en dance, en vind rap en hip hop doorgaans oninteressant (en hun teksten puberaal en imbeciel). Wat mij betreft mag na deze drie weken de hele Italo-pop in één klap door de plee worden gespoeld. Ik heb niets gehoord dat de moeite van herbeluistering waard is. Maar het allerergste komt nog.
Pal naast ons appartement stonden de torenhoge boxen van een naburig vakantiepark met een bijzondere attractie, de meest afschrikwekkende uitvinding van de 20e eeuw: karaoke. Minstens drie avonden per week, beginnend om 22.00 uur en eindigend ver na middernacht, had ik het genoegen het luide, valse gekweel van dronken Italianen te mogen aanhoren, die allemaal uit volle borst mee blèrden met hun variant van André Hazes of Frans Bauer, waar ik een ernstige allergie voor heb. Het was, in één woord, afschuwelijk.
Ik heb overwogen mijn activiteiten als popjournalist en columnist met onmiddellijke ingang te staken. Ik wilde mijn hele platencollectie te vervangen door “the sound of silence”. Ik nam mij voor nooit meer een radio of CD-speler aan te zetten, en permanente oordopjes aan te schaffen bij een audicien. Tot ik opeens een stem hoorde die ik direct herkende.
Het was een liedje dat nooit een hit is geweest, maar dat diep in mijn geheugen staat gegrift. Een liedje, dat je zelden op de radio, en nooit in een disco of bij een zwembad hoort. Van een zangeres die ooit heel groot was, maar nu al bijna is vergeten. Een liedje, dat precies omschrijft waar het bij deze liefde om gaat, en dat zijn titel helemaal waarmaakt.
Dankzij dit kleine wonder wist ik opeens weer waarom muziek hoort tot de mooiste en belangrijkste dingen in mijn leven. Zolang het maar geen Italo-pop is.
 
Johan Doove
 
Inspiratie:
● Music – Carole King (‘Music’, 1971)
● Music – Carole King (‘The Ode Collection’, 1994)
 
Author: 
Johan Doove