Willie Dixon

Nagenoeg iedereen heeft wel een nummer in zijn of haar platencollectie dat van hem afkomstig is. Dat is ook niet vreemd als je bedenkt dat deze man tientallen liedjes heeft geschreven die in uitvoeringen van onder meer Muddy Waters en Howlin' Wolf in de galerij der bluesklassiekers zijn opgenomen. Maar de honderd jaar geleden geboren zwaargewicht was meer, veel meer. Arrangeur, producer en misschien wel de grootste grondlegger van de Chicago Blues: Willie Dixon. Een echte bassist. Een man op de achtergrond.

 

Dixon wordt op 1 juli 1915 geboren in Vicksburg, Mississippi. In een, naast het restaurant van zijn moeder gelegen, honky-tonk bar ziet hij als kind onder meer Charley Patton optreden. Zijn moeder houdt ervan om religieuze, rijmende verzen te declameren. De jonge Willie luistert ademloos naar haar. Het spelen met woorden wordt hem zo met de paplepel ingegoten. Zijn eerste stappen in de muziek zet hij in de vroege jaren '30 bij het gospelkwartet The Union Jubilee Singers. Van die tijd dateert ook de tekst van "Pain In My Heart" dat hij overigens pas in 1951 zal uitbrengen. In 1936 verkast hij naar Chicago. Overigens niet als muzikant maar als bokser. Hij is een tijdje sparringpartner van niemand minder dan bokslegende Joe Louis en bokst in totaal zo'n vier officiële partijen voordat hij definitief zijn handen legt op de snaren en hals van zijn contrabas.

Naoorlogse blues

Na een jaar in hechtenis te hebben gezeten vanwege dienstweigering neemt de muzikale loopbaan van Dixon eind 1945 serieuzere vormen aan. Het is de tijd dat, in het kader van de industrialisatie, de migratie van Afro-Amerikanen vanuit de zuidelijke staten naar noordelijke steden steeds meer vorm krijgt. In onder meer Memphis, Detroit en Chicago evalueert de rurale blues van het zuidelijke platteland naar een stadse variant. Dixon gaat vanaf 1946 deel uitmaken van The Big Three Trio (vernoemd naar Roosevelt, Churchill en Stalin) en treedt regelmatig op in de "South Side" van Chicago waar een snel groeiende bluesscene ontstaat. Tijdens een jamsessie met Muddy Waters in de Macomba Lounge leert hij de broers Leonard en Phil Chess kennen. Bluesgeschiedenis staat op het punt om geschreven te worden.

Chess Records

De eerste opnamen van Dixon bij Chess, als sessiemuzikant, zijn die met Robert Nighthawk eind jaren '40. Het zal tot 1951 duren, na het uiteenvallen van The Big Three Trio, dat hij fulltime in dienst treedt bij het label. Hij wordt er producer, arrangeur, huisbassist en uitvoerend artiest. Deze diversiteit zie je ook terug in de nummers die hij schrijft. Niet alleen schrijft hij rauwe Chicago blues voor kleine combo's, ook subtielere blues met een complete blazerssectie schudt hij ogenschijnlijk moeiteloos uit zijn mouw. Hij kent bescheiden successen met onder meer Eddie Boyd's "Third Degree" maar vanaf 1954 is de man van "300 Pounds Of Joy" voor Chess Records iedere ons van die 300 pond in goud waard. Hij schrijft namelijk voor Muddy Waters het nummer "Hootchie Cootchie Man" en die vijf noten riff is net zo bekend geworden als de riff van "Satisfaction". Tientallen bluesnummers zijn gebaseerd op die riff en op dat ritme. Vanaf dat moment is de lijst aan klassieke Chess opnamen die van zijn hand komt belachelijk lang. "I'm Ready", "I Just Wanna Make Love To You", "You Shook Me" (Muddy Waters), "My Babe" (Little Walter), "Evil", "Spoonful", "Little Red Rooster" (Howlin'Wolf): het is maar een kleine greep uit nummers waar jonge Britse gitaristen zoals Clapton, Green, Beck, en Page ademloos naar luisteren en die ze later zullen herinterpreteren.

Howlin' Wolf

De relatie met Howlin' Wolf verloopt niet altijd even soepel. Howlin' Wolf is zo eigenwijs en koppig als dat hij groot is. Dixon moet slinkse wegen verzinnen om hem nummers te laten opnemen die The Wolf eigenlijk op het lijf zijn geschreven. Maar Howlin' Wolf is niet snel te overtuigen. Hij wordt regelmatig ingefluisterd dat Dixon "een geweldig nummer heeft geschreven voor Muddy Waters". Dat en de overredingskracht van Leonard Chess trekken hem over de streep. Een bijkomstig probleem is dat hij analfabeet is. Dixon moet, al bas spelend tijdens de opnamen, vooroverbuigen naar Howlin' Wolf om hem de teksten te souffleren. Het moet een fascinerend beeld zijn geweest.

Cobra Records

Ondanks het gigantische werk van Dixon blijft financiële waardering achterwege. Ontevreden over zijn weekloon keert hij in 1957 Chess de rug toe en vindt hij in Chicago emplooi bij Cobra Records. Daar geeft Dixon aan een hele nieuwe lichting muzikanten en de “West Side” van Chicago een gezicht. Jonge honden als Buddy Guy, Magic Sam en Otis Rush staan te trappelen van ongeduld en aan de hand van Dixon betreden ze de paden van de blues op weg naar roem die hen allen, in meerdere of mindere mate, ten deel zullen vallen. Voor Magic Sam schrijft hij het nummer "Easy Baby" maar met name met "I Can’t Quit You Baby" schiet hij, zeker artistiek gezien, volledig in de roos. Een zinderende, intense uitvoering van Otis Rush is daar mede debet aan. Het is één van de absolute hoogtepunten in de Chicago blues van de late jaren ’50. Het is deze versie die Plant en Page ertoe hebben aangezet om het nummer een prominente plaats te geven op hun debuut.

De jaren '60

Na twee jaar gaat Cobra Records op de fles. Daar waar deuren sluiten gaan andere weer open en soms zijn dat oude vertrouwde deuren. Dixon keert terug bij Chess Records en wordt met open armen ontvangen. De man op de achtergrond is weer thuis. Hij krijgt er de functie van "Chief songwriter and producer". Met het ontvouwen van de jaren '60 krijgt de blues het in de V.S. steeds moeilijker maar Dixon weet van geen ophouden. Hij vindt in Koko Taylor zijn grootste ontdekking van dat decennium. Deze zangeres met de imposante gouden strot maakt dankbaar gebruik van de talenten van Dixon en scoort een hit met "Wang Dang Doodle". Het fenomenale duet tussen Dixon en Taylor, "The Insane Asylum", is zelfs één van de hoogtepunten uit Dixon's oeuvre. Het verhaal van een man die zijn geliefde terugvindt in een psychiatrische inrichting is zonder meer zijn vocale magnus opus. Het contrast tussen Dixon's diepe stem en Taylor's krachtige vocalen, waarbij ze beiden emotioneel flink om zich heen grijpen, stuwt dit nummer naar grote hoogten.

De erfenis

In 1969 sluit ook Chess Records noodgedwongen haar deuren maar Dixon blijft actief. Maar liefst meer dan 450 geregistreerde nummers laat hij uiteindelijk na. Hoewel hij zeker de erkenning krijgt die hem toekomt moet hij wel nog procederen tegen de heren van Led Zeppelin. Hun megahit, "Whole Lotta Love", vertoont teveel gelijkenissen met Dixon's "You Need Love". Plant en Page zijn zo verstandig om met Dixon te schikken. Naarmate de jaren vorderen gaat hij steeds meer tobben met zijn gezondheid. Diabetes wordt gediagnosticeerd. Het leidt ertoe dat in 1977 zijn rechter been wordt geamputeerd. Op 29 januari 1992 overlijdt de grondlegger van de Chicago blues, want zo mag je hem wel noemen. De man, die zich thuis voelde op de achtergrond, die typische bassist, is niet meer. Misschien zijn Koko Taylor's woorden nog wel het meest treffend: "He put a fire under the blues. There'll never be another Willie Dixon."

 

 

 

 

 

 

 

Bronnen

Bij het schrijven van dit stuk heb zijn de navolgende bronnen geraadpleegd om feiten te verifiëren:

  • Folk & Blues: The Encyclopedia - auteurs: Irwin and Lyndon Stambler
  • Willie Dixon: The Deluxe Chess Box (liner notes: Don Snowden)
  • The Blues Heaven Foundation
  • Chess Blues: The Box - MCA
  • The Cobra Records Story - Capricorn Records
00:00
 
00:00
 
00:00
 
00:00
 
00:00
 
Ed Muitjens