Steppenwolf: Steppenwolf (1968)

Martin Overheul

In 1968 ben ik 12 jaar. Op muzikaal vlak ben ik die leeftijd al enige jaren geleden ontgroeid. Dat komt door mijn oudere broer Hans. Door hem leer ik naast een aantal geweldige pop- en (country)rockbands die mij nog altijd zeer na aan het hart liggen ook opwindende bands kennen als Electric Prunes, 13th Floor Elevators, Iron Butterfly, Soft Machine, United States of America en Vanilla Fudge. Bands die door het consumeren van emmers geest- en bewustzijnsverruimende middelen muziek maken die op dat moment in de geschiedenis ongehoord en nog nooit gehoord is. 

Lieden die ervan houden om dingen te categoriseren, staan met hun handen in het haar: welk label moeten ze plakken op deze ongebreidelde uiting van jeugdige branie en creativiteit? Ze komen in al hun beperking niet verder dan psychedelische rock en acid rock. Het zal mij worst wezen welk etiket er op deze muziek wordt geplakt. Ik geniet met volle teugen van de LP’s van mijn broer én van Jan, de oudere broer van mijn jeugdvriend Ferdie. Jan heeft zijn eigengereide platencollectie nét uitgebreid met het debuutalbum van Steppenwolf, een Canadees-Amerikaanse band die een gigantische hit heeft met Born to be Wild, een nummer dat in de toekomst zal uitgroeien tot dé hymne van iedereen die zich niet wenst te conformeren aan de regels van het establishment (in het Nederland van de late jaren zestig beter bekend als ‘de maatschappij’). 

Ondanks al de mind blowing pillen en rookwaren die de heren naar eigen zeggen dagelijks gebruiken, lukt het hen niet om een aansprekende titel  voor de plaat te verzinnen dus houden ze het op Steppenwolf. Maar de elf nummers die ze de wereld in smijten, blazen de adolescent die ik ben compleet van de sokken. Dat komt in eerste instantie door de markante stem van leadzanger John Kay die me doet denken aan een vlijmscherpe stiletto met enkele roestvlekken op het lemmet. Het tweede element is de elektrische gitaar van Michael Monarch. Die lijkt namelijk geleend te zijn van mijn Kinks-idool Dave Davies. De derde factor is de ongemeen rauwe sound van deze bende lelijkerds en de ‘take it or leave it’ mentaliteit die ze daarmee uitdragen. De langharige bonenstaak die ik ben, een jonge opstandeling die onder geen beding op de generatie van zijn ouders wil lijken, kan die houding wel appreciëren. Meer nog, ik kopieer hun ‘fuck you’ spirit gedeeltelijk en kom vervolgens keihard in aanvaring met mijn stiefvader. Hij is sterker, maar ik win.

En dan die muziek! Steppenwolf put ongegeneerd uit zwarte blues (Sookie Sookie van Don Covay, Hoochie Koochie Man van Willie Dixon en een verschroeiende versie van Hoyt Axtons The Pusher), klassieke rock-‘n-roll (Berry Rides Again, een hommage aan Chuck Berry) en snoeiharde sixties rock met de wortels diep in acid en psychedelica. Bij het luisteren naar Born to be Wild droom ik van een toekomst die uiteindelijk niet voor mij blijkt te zijn weggelegd. Geen glimmende motor en eindeloze highways, maar een gezin, kinderen, werk en een leven dat mits wat wrikken en duwen binnen bepaalde conventies past. Die vaststelling doe ik zonder één gram spijt. Ondanks de royale aanwezigheid van hindernissen, bevalt de weg die ik heb afgelegd me uitstekend. 

Maar elke keer als ik deze plaat van Steppenwolf draai, zie ik die jongen van 12 weer terug met al zijn dromen en idealen en vraag ik me af hoe hij zou denken over de man die hij 48 jaar later is…

 
 

Comments

 
 
Rein van den Berg
Leuk initiatief dit stukje persoonlijke tekst.