Jane Gillman: Piscean Dreams

 
 

Er bestaan ontelbaar veel manieren om iemand te verleiden, daar getuigt onder meer de reclamewereld elke dag van. De gespecialiseerde magazines staan vol met sensueel kijkende fotomodellen die hun waar aan de vrouw of man pogen te brengen middels weinig verhullende kleding, zinnenstrelende poses of een al dan niet volledig ontblote borst. Dat soort verlokking laat mij doorgaans koud omdat die veel te artificieel is, te bedacht. Een vrouw die onbewust een lok haar uit haar gezicht veegt op een moment dat ze zich onbespied voelt, bij voorkeur losjes vanuit de pols, doet het dan weer wel. Een van de mooiste universele vormen van verleiding is wat mij betreft muziek. Geef me een markante stem, een enkel instrument of een omvangrijk orkest, een goede song en een scheepslading emotie en ik ben volslagen weerloos. De Amerikaanse songstress Jane Gillman mag zich gelukkig prijzen dat ze die componenten overvloedig bezit. Haar vroegere werk, vier albums sinds ze in 1986 debuteerde, ademt het soort ongecompliceerde toegenegenheid uit dat je ook hoort bij gelijkgestemde zielen als Mary Chapin Carpenter en Lucy Kaplansky. Tel daar nog eens bij op dat Gillman een snedig stukje mondharmonica, dulcimer en banjo speelt, en de conclusie dat deze dame in huize Overheul wel een potje mag breken, is snel getrokken. Die bevoorrechte status bevestigt Jane Gillman op haar onlangs verschenen EP’tje Piscean Dreams, een zalig hebbedingetje voor liefhebbers van bekwaam geconstrueerde luisterliedjes die aanleunen tegen folk, pop, jazz en country, maar daar nooit helemaal naar overhellen. Taxicabs At Night / Chinquapin Hunting puurt overduidelijk uit een folkvaatje dat zijn oorsprong vindt in de Appalachen, maar tegelijkertijd hoor je een lichte jazzy toets in de staande bas van Carl LoSchiavo. Het verhalende Barefoot is evenzeer een mix van folk en jazz, alleen is hier percussie aan toegevoegd die het nummer lichtjes maar doeltreffend ontregelt. In Haiku Lines verdiepen pianist Riley Osbourne en opnieuw LoSchiavo zich dan iets meer in jazzy patronen en het resultaat doet in de verte wat aan Gil Evans denken. Year Of The Dog, het vierde nummer op de EP, neigt door de belangrijke rol die viool, banjo en dulcimer spelen nog het meest naar folk, maar ook nu hoor je flarden rock en wereldmuziek die het geheel op smaak brengen. Waarna de twee mooiste nummers van Piscean Dreams dit korte intermezzo – na 22 joyeuze minuten is de droom al voorbij – je meevoeren naar een soort zaligheid die je enkel in verleiding vindt. Collieston en Cold Shoulder (met Gillman op mondharmonica) behoren zonder enige twijfel tot het beste dat Gillman tot nu toe gedaan heeft: twee loepzuivere composities met uitmuntende zang, een uiterst subtiele muzikale setting en een karrenvracht authenticiteit. Allemaal ingrediënten waardoor ik me met plezier laat bekoren.

Martin Overheul
Jane Gillman
Piscean Dreams