Faith and grace

de fragiele lijn van geluk

Ik kwam haar tegen op een overvol perron waar reizigers, de één gelaten de ander zichtbaar geërgerd, stonden te wachten op een trein die verlaat was. Een sein- en wisselstoring. Het overkomt me wel vaker, het wachten op een trein. Ze stond daar tussen lange jassen en bont gekleurde mutsen. Vijf  weken geleden. Ze was niet veel veranderd. Nog steeds dezelfde uitstraling. Nog steeds dezelfde lach. Ik had haar al jaren niet meer echt gesproken. Hoe het met haar was, vroeg ik. Haar antwoord was al even verrassend als onthutsend. Haar man, Frank, was ziek zei ze. Al jaren. Ongeneeslijk. "Hij maakt het naar omstandigheden goed". Op de terugweg vertelde ze dat de laatste jaren zwaar waren geweest. Ze stipte nog andere dingen aan zonder daar al te diep op in te gaan. Een treincoupé is tenslotte geen huiskamer. Ik keek naar haar. Ik zag de manier waarop ze haar verhaal vertelde. Ik hoorde die ondertoon van moeheid in haar stem. Maar ik zag ook de kracht die ze uitstraalde. De kracht die haar al die jaren overeind had gehouden. Ik zei tegen haar dat ze het verdorie flink te verduren hadden gehad. Ze deed het af met een grapje. We hebben allebei instemmend gelachen. Ik had haar eigenlijk willen zeggen hoe knap ik het vond hoe ze daar tegenover mij zat. Hoe bijzonder ik haar levenshouding vond. Ik heb het niet gedaan.
Een treincoupé is tenslotte geen huiskamer.  

 

De kracht, die ik haar ogen las, heb ik terug gevonden tijdens het beluisteren van de cd "The Ghosts of Highway 20" van Lucinda Williams. Een vrouw die weet hoe fragiel geluk kan zijn en die haar "krassen op de ziel", zoals Martin Overheul dat zo fraai in zijn recensie verwoordde, met verve draagt. Vele facetten van het leven, veelal pijnlijke, heeft ze bezongen in veertien liedjes. Pijn en verdriet, het ligt allemaal voor het oprapen. Williams maakt muziek die verder reikt dan zomaar een uur vermaak. Muziek die onder de huid kruipt. Muziek zoals het leven zelf. Hetgeen ik mij, met betrekking tot "dat leven", nog wel eens afvraag is of onze momenten van geluk en intens verdriet van tevoren zijn vastgelegd. Of levenslijnen met onuitwisbare inkt zijn getatoeëerd in de uren van morgen. Of momenten, die zorgen voor een wurggreep van verdriet, onomkoopbaar zijn. Doorgaans omarm ik liever de gedachte dat de geluksfactor meer bepalend is. En het besef dat de lijn tussen geluk en pech flinterdun kan zijn.

 

Just a little faith and grace
to help me run this race
That's all, that's all I need
Just a little faith and grace
That's all I need.

 

De hoop op vertrouwen. De wens om genade. Het zijn kwetsbare woorden. Er spreekt bijna   vertwijfeling uit. Om gevrijwaard te blijven van nietsontziende misère. Hoeveel kan een mens tenslotte aan ellende verdragen? Hoe ver kan een mens buigen? Waar ligt het punt waarop hij breekt? In de relatieve kalmte van voorspoed zijn dit voor mij slechts gedachten waarnaar ik kan gissen. Opluchting en schuld spelen verstoppertje met mijn geweten. Opluchting omdat het glimmend staal van Damocles gelukkig (nog) niet zichtbaar is. Schuld omdat ik als egoïstisch kuddedier ook ergens dankbaar ben dat niet wij nu uit de kelk van rampspoed hoeven drinken. Het leven kan prachtig zijn maar het kan ook ongenadig hard uithalen. Wanneer de dood, zoals bijvoorbeeld in het lied "Death came",  zijn volgende slachtoffer van achteren besluipt en met een Judas kus verraadt. Alsof een baksteen uit volle macht in hart van het, tot dan toe, kalme water wordt gegooid. Onstuimige golven van verdriet en pijn volgen zich bijna onophoudelijk op. En al wordt de deining door de jaren minder, de baksteen verroert zich niet. Die ligt daar op de bodem. Onder water. Niet zichtbaar maar altijd voelbaar.

 

Sinds een drie weken is de vrouw, die ik onlangs op dat overvolle perron trof, bijna dagelijks in mijn gedachten. "This life has it's victories but it's defeats tear so viciously". Deze tekst, ooit engelachtig gezongen door Cowboy Junkies zangeres Margot Timmins, blijft maar door mijn hoofd dwalen. Vanaf het moment dat ik hoorde dat ook Frank met een Judas kus is verraden. Ruim twee weken nadat ik haar op dat perron trof is hij overleden. Kennelijk toch nog onverwacht. Dionysius heeft het zwaard, dat hij ooit aan een paardenhaar boven het hoofd van Damocles heeft gehangen, ter hand genomen, Hij heeft het, ongetwijfeld vlijmscherp geslepen, boven zijn hoofd geheven en meedogenloos laten neerdalen. "Just a little faith and grace to help me run this race." Ik had juist hen dat zo gegund. Die rust. Woorden van troost kan ik op dit moment niet vinden. Nog steeds niet. Alleen woorden van ongeloof. En het besef dat ik het geloof in het noodlot nu definitief heb afgezworen. De wreedheid van vooropgezette ellende, dat in het noodlot ligt verankerd, is voor mij simpelweg te groot. Onmenselijk en niet te bevatten. Zoals de dood van Frank voor haar ook niet te bevatten is. Zoals de dood wel nooit te bevatten zal zijn. Voor hen is er geen Paasverhaal met een zichtbare verrijzenis. Alleen die leegte. En die laffe, kille Judas kus. Meer niet. 

 

Death came, death came and gave you his kiss
Death came, death came and took you away from this
Oh I miss you so and I long to know
why death gave you his kiss.

 

P.S. De naam van de overleden man in dit verhaal heb ik uit respect veranderd in Frank. 

 

 

 

 

 

 

 

Ed Muitjens