Wanneer het Americana-genre je aanspreekt, dan is Darrell Scott een fenomeen waar je niet omheen kunt/mag. Artikel
Joe Henry is óók zo iemand. De man volgt al jarenlang zijn eigen pad en levert elke keer opnieuw werk af dat boeit, schittert en intrigeert. Artikel
Wanneer je een rekenmodel zou toepassen, dan behoort deze nieuwe plaat tot één van die albums waarbij de kwaliteitsnaald extra naar boven veert. Artikel
Soms wil je huppelen en soms wil je dansen, maar soms wil je ook wegdobberen op een oceaan van gedachten. Artikel
Met Venter in de gelederen brengt Red Molly nu Light In The Sky uit, een wervelend plaatje dat kan doorgaan voor een ultieme staalkaart van hedendaagse americana. Artikel
Door de jaren heen trok Lynne haar muzikale spoor door country, jazz, pop, rootsrock, een beetje blues en western swing en al die elementen zijn terug te vinden op Revelation Road. Artikel
Een donkere periode waarvan deze liedjes op deze cd de herinnering op een prachtige manier in leven houden. Artikel
Een echte topplaat die werkelijk alles heeft: afwisselend, vrolijk, ontroerend, uitbundig, feestelijk, ingetogen. Kippenvel dus. Artikel
Patsy Matheson: Stories of Angels & Guitars.
Hans Jansen 27-1-2012
Ze is woonachtig in West-Yorkshire en sinds ruim twintig jaar actief als singer-songwriter en multi-instrumentaliste o.a. binnen het all female Waking the Witch. Zij debuteert in 2006 met With My Boots On, in 2008 verschijnt haar tweede soloalbum A Little Piece Of England. Onlangs gevolgd door het derde album Stories of Angels & Guitars. Vrijwel geheel akoestisch gebrachte folk versneden met een flinke scheut jazz is haar metier. Een heerlijke combinatie gebracht met een bijzonder aangenaam warm hese stem met reminiscenties naar o.a. Beth Orton waarbij zij de gevoelstemperatuur nog een paar graden extra weet op te stoken. Patsy Matheson is haar naam.
Klonk haar tweede album A Little Piece Of England reeds tamelijk intiem op haar laatste album Stories of Angels & Guitars klinkt Patsy ronduit delicaat in een volstrekt naturelle productie van haarzelf en Phil Snell. Hierbij begeleidt zij zichzelf op o.a. gitaar, mandoline, xylophoon en glockenspiel. Hugh Whitaker (Housemartins) assisteert op subtiele drums en Jon Short op contrabas.
Stories of Angels & Guitars opent met het etherische Under Your Wing waarbij Patsy’s vocalen in fraaie laagjes opgebouwd zijn. Een eenzame gitaar wordt na drie minuten vergezeld door zacht tikkende drums en een flintertje mandoline.
Met No Angels en Adoption verschaft Matheson zichzelf vaste grond onder de voeten. Fraai vertolkte teleurstelling en ander hartzeer waarbij drums en contrabas de nodige gronding aanbrengen. “You put my heart up for adoption, you crush it like a can”.
Dit blijkt slechts de opmaat te zijn voor het hoogtepunt If You Ask Me. Met zijn eenvoudige gitaarmotief en spitsvondig plukkende bas draait het jazzy lied ontspannen om zijn eigen as.
In het op fluistersterkte gebrachte en meanderende So The Same lijkt Patheson in tweespraak met zichzelf te verkeren. Ze komt tot de slotsom dat de bezongen ander en zijzelf weliswaar heel verschillend lijken maar uiteindelijk toch ook erg op elkaar lijken.
Met Hundred Guitars schroeft Matheson het tempo omhoog om vervolgens met het door slechts een harmonium gedragen Shining Silver uit te pakken.
Patsy nadert het einde van Stories of Angels & Guitars geheel solo met het van een pakkend refrein voorziene Water is over the Weir. De gelaagde vocalen doen nogmaals uitstekend dienst evenals de tintelfrisse mandoline. Afsluiter is het hartverscheurende relaas Sylvia Jean waarin Sylvia’s geliefde als piloot zijn onfortuinlijke en smartelijke einde hoog in de lucht boven Schotland vindt tijdens de Koude Oorlog.
Stories of Angels & Guitars, in toonzetting een volstrekt persoonlijk, weemoedig en zeer Engels klinkend album. Wat mij betreft is de jaarlijkse stroom van meeslepende albums, hoewel steevast bescheiden van omvang, met dit album weer geheel op gang gekomen.
Homepage www.patsymatheson.co.uk/
|
Kevn Kinney: A Good Country Mile
Rein van den Berg 27-1-2012
Ja mensen, inderdaad, er is – eindelijk - weer eens een nieuw album beschikbaar van Kevn Kinney. ’t Heeft eventjes geduurd, maar liefhebbers (en dat zijn er in ons land een aanzienlijk aantal!) van zijn werk kunnen hun hart ophalen. Zelf volg ik zijn werk nagenoeg vanaf het eerste uur. Mijn zwager had MacDougal Blues in zijn kast staan, en ik kon niet nalaten zijn aankoop navolging te geven. Ik begrijp dat distributie van A Good Country Mile naar de Eurozone in voorbereiding is, maar afgerond is dat nog niet. We zitten momenteel nog op de voorste rij. Wil je een fysiek exemplaar dan kun je momenteel uitsluitend nog wenden tot bovengenoemde homepage. Dit nieuwe album laat zich het gemakkelijkst omschrijven als een uitgekiende combinatie van Kinney’s solo werk en dat van de formatie waarvan hij tevens deel uitmaakt Drivin’ N Cryin’. Kinney heeft de energie en het volume op deze nieuwe plaat aanzienlijk opgeschroefd. Zijn Zuidelijke roots komen op dit album aanmerkelijk sterker naar voren dan ooit op zijn vorige platen.
A Good Country Mile werd gefinancierd gebruikmakend van Kickstarter. Tegenwoordig een veelbeproefd concept om de vereiste middelen vooraf beschikbaar te krijgen. Lang niet alle nummers op deze plaat zijn overigens nieuw. Kevn heeft gegrasduind in eerder verschenen werk. Het titelnummer is bijvoorbeeld afkomstig van Broken Hearts & Auto Parts. De uitvoering is echter van een volstrekt andere orde. Bovendien opgerekt tot bijna 10 minuten. Dit is zoals Kevn wat mij betreft altijd al zou mogen klinken, rauw en ongepolijst. Oud werk gereviseerd, een aantal nieuwe songs en een tweetal covers, waaronder het nummer Never Gonna Change dat origineel van Jason Isbell is. Alles bij elkaar hebben we hier ruim een uur aan dampende rock. De veelzijdige drummer en percussionist Anton Fier voorziet Kevn van het spreekwoordelijke steuntje in de rug. Hij is behalve producent van deze nieuwe plaat, tevens medecomponist van de nieuwe nummers. Hij was een vroeg bandlid van The Lounge Lizards, heeft o.a. gewerkt met Pere Ubu, Bill Lawell , Bob Mould, Jack Bruce, Arto Lindsay en John Zorn. Heb je de zuidelijke rock hoog in het vaandel dan wordt het optimaal genieten bij deze werkelijk schitterende nieuwe Kevn Kinney CD.
“This is one damn fine collection of tunes concocted by Kevn, Anton and friends. The album clocks in at right around an hour, and oh what an hour it is. From start to finish this is a record you can play all day long and never tire of the sweet tunes blaring from your speakers.”
http://www.kevnkinney.com/
|
Tiny Ruins: Some were meant for sea
Ed Muitjens 22-1-2012
“While some were meant for sea / in tug-boats ‘round the shore’s knee / Milling with the sand and always coming back to land / For others, up above / Is all they care to think of, / up there with the birds and clouds / And words don’t follow.”
Heengaan naar een plaats waar woorden niet zullen volgen. Een plaats waar woorden niet kunnen krenken. Het is een plaats waar de hoofdpersoon in het prachtige “Priest with balloons” naar toe vliegt. De één kiest nu eenmaal voor de zee, de ander voor lucht. De openingszin “Some were meant for sea” is ook de titel van de cd van Tiny Ruins.
Tiny Ruins is een project van de in Engeland geboren maar in Nieuw-Zeeland opgegroeide Hollie Fullbrook. Er is in 2010 enkel een EP verschenen met de titel “Little Notes”. Al de composities op “Some were meant for sea” zijn van de hand van Hollie Fullbrook. De hoes laat een onstuimige zee zien. De muziek van Tiny Ruins staat juist voor het tegenovergestelde. Ze is zeer ingetogen en intiem. De instrumentatie is, naast de basis van akoestische gitaar en af en toe piano, zeer summier. Het zijn slechts pasteltinten in een afgewogen compositie. Juist de spaarzame accenten zoals percussie, viool, accordeon en cello leggen de nadruk op de zang van Hollie Fullbrook en de songs. Ze is, voor mij, een typische in de folk gewortelde Engelse singer/songwriter. Ze maakt veel gebruik van haar kopstem maar dat wekt nooit irritatie op. Nee, Fullbrook’s stem mag gehoord worden. Simpelweg omdat haar zang, in combinatie met de songs, kan ontroeren.
Om de cd per nummer te bespreken gaat te ver maar ik wil enkele pareltjes toch even aanhalen. Het openingsnummer “Old as the hills” bijvoorbeeld dat een prachtige spanningsopbouw kent en het reeds aangehaalde “Priest with balloons” dat voor mij één van de hoogtepunten is. Het is een schitterend lied met bijna hypnotiserend gitaarspel, simpele maar indrukwekkende percussieaccenten en een tekst, over het zoeken naar een betere wereld. die blijft boeien:
“I want live where the traffic controlers are ballet dancers / and billboards are painted over with colours / where unkindness is fined / And nobody feels like taking the comments...”
Tenslotte wil ik nog aandacht vragen door het met een staande piano gedragen lied “Pigeon knows”. De kwetsbaarheid druipt van het nummer af. Als je de weg naar huis kwijt bent, volg dan de staart van de duif maar… Dit nummer wordt zo breekbaar gebracht dat je bijna bang bent om adem te halen omdat het de magie van het moment zou kunnen verbreken. Prachtig mensen, prachtig!
De cd is opgenomen in The Moyarra School Hall in South Gippsland (Australië). Een klein wit schooltje ergens in the middle of nowhere. Als je “Pigeon knows” door de hoofdtelefoon beluisterd hoor je en voel je die intieme omgeving: het kraken van het hout, het aanslaan van de toetsen. Een dergelijke omgeving is geen studio. Dat er soms opnametechnische onvolkomenheden zijn te horen moet de luisteraar gewoon voor lief nemen. Sfeer is bij deze muziek vele malen belangrijker dan geluidstechnische perfectie.
Ik ben erg onder de indruk geraakt van deze cd. Het is een plaat die door zijn soberheid je in jezelf laat keren. Je mee laat voeren naar een plaats waar gesproken woorden niet volgen, hooguit je gedachten. Ja, morgen ga ik naar de zee…
(Ed Muitjens)
|
Anais Mitchell: Young Man in America
Rein van den Berg 22-1-2012
Young Man in America is Anais Mitchell’s 5de album. Voor mij is het haar meest bevredigende plaat sinds Hymns for the Exiled. Thematisch is weliswaar weinig veranderd, en wordt de lijn doorgezet met datgene wat haar bezighoudt, en ze uit zich wederom zowel prozaïsch als poëtisch. Toch komt ditmaal iets zeer specifieks naar boven drijven. Hetgeen deze plaat van een diepere dimensie voorziet. Eentje waarin ze, bewust, dan wel onbewust, iets zeer persoonlijks van zichzelf openbaart. Anais is een perfectionist. Volgens mijn inschatting legt zij de lat consequent hoog voor zichzelf, en creëert hierdoor ook enorme verwachtingen bij haar omgeving. Waar ligt de basis van deze gedrevenheid? Vandaar mijn hypothese, want haar muziek heeft wederom te maken met thema’s als overgave, geborgenheid, verlangen en liefde. Tevens vind ik in de tekst frequent elementen terug van een vader die amper aandacht/liefde schonk, met als gevolg een dochter die alles in het werk stelt om in niets te kort te schieten. Zelfs nu, als volwassen vrouw, lijkt het alsof nog steeds de goedkeuring van haar vader gewenst is. Ouder/kind verhoudingen kunnen diepe wonden slaan, waardoor dit soort vicieuze cirkels worden gevormd. Anderzijds ontstaat er ontwapenende muziek, die bij vlagen voelbaar intens is.
Hadestown, haar vorige project, – een eigentijdse opera geïnspireerd op het verhaal van Orpheus and Eurydice – kreeg weliswaar wereldwijd lovende recensies, maar ik vond het geheel teveel aangezet voor mijn smaak, te gekunsteld. Anais heeft haar verlangens dit keer afgezwakt van ongrijpbaar naar onbeantwoord en brengt daarmee deze plaat terug in de realiteit. Hadestown was ondanks mijn voorbehoud een mooie plaat te noemen, maar voldeed minder sinds Hymns of the Exiled gigantische verwachtingen gecreëerd had bij mij. Young Man in America ervaar ik in vergelijking daarmee als de inlossing van een belofte. Mitchell weet mij, net als indertijd bij Hymns for the Exiled, niet onberoerd te laten. Een koud gevoel dat via je rug naar boven kruipt. Haar metafoorrijke tekst betrekt niet zelden beeldspraak uit het Oude Testament, hetgeen haar werk overigens allerminst afbreuk doet. De productie van Young Man in America is net als vorige plaat in handen van Todd Sickafoose. Hymns for the Exiled gold indertijd als de verrassing van een onbekend singer songwriter. Young Man in America etaleert de klasse van een volwassen artieste. Anais geeft zich helemaal. Ze benut maximale zeggingskracht, deelt zelfs iets van haar gevoelsleven. Meer mag je in alle eerlijkheid toch niet vragen? Alleen een diepe buiging is hier op zijn plaats.
“Don’t matter what I do / I never do right by you / I only let you down
I walk a hundred miles / On my knees to see you smile / All you do is frown”
http://anaismitchell.com/
|
Darrell Scott: Long Ride Home
Rein van den Berg 14-1-2012
Wanneer het Americana-genre je aanspreekt, dan is Darrell Scott een fenomeen waar je niet omheen kunt/mag. Zijn A Crooked Road (van 2010) bevatte alle elementen waarom ik zijn muziek koester. En Darrell lijkt op dat album met deze elementen te spelen. Hij is meesterlijk in het buigen van lijnen, waardoor bijna iedere song meerwaarde krijgt, of voorzien wordt van een subtiele wending. Soms emotievol, soms imponerend. De metaforen die hij te pas en te onpas gebruikt nijgen bijna naar clichés, maar ik accepteer ze zonder te twijfelen aan 's mans authenticiteit. Scott laat met regelmaat zijn emotie spreken. Hij blijft echter met twee benen op de grond. Omdat hij nergens overdrijft of opzettelijk aanzet, weet je dat zijn emotie echt is. Take this restless hobo’s heart take this dreamer without dreams take the sadness with the love take the love with everything like you’ve stood through it all you’re still standing here today and i’ve known it all along you’ll be with me all the way though the times have been hard and the pleasures quickly gone but as we passed trough the shadows baby you kept shining on and on like a river overflowing you have carried me away and it’s your love that you keep showing you’ll be with me all the way take this message to my mother say her rambling boy is home won’t you tell her to be happy now i’ll no longer be alone take the pictures she will give you from a time so far away and won’t you tell her as you’re leaving (tell her) you’ll be with me all the wayDarrell Scott is voor mij zonder twijfel een gepassioneerd muzikant en artiest. Hij bewandelt zijn “Crooked Road” en illustreert dit levenspad met de talenten die hem gegeven zijn.
Ook de titel van dit laatste album is kenmerkend voor de beeldende eenvoud die Scott gebruikt. Wanneer hij dan een foto toevoegt uit zijn jeugd, dan weet je gevoelsmatig dat Darrell voor zichzelf het punt heeft bereikt waarnaar hij streefde. Zijn discipline heeft hem gebracht tot de artiest/muzikant die hij momenteel is, maar niet zonder prijs wanneer je het nummer Someday goed beluistert. Hij is tevreden met hetgeen zijn carrière hem gebracht heeft. Ook in No Use for Living refereert hij aan datgene wat zijn leven momenteel ontbeert.
Bij eerste beluistering van Long Ride Home kreeg ik de indruk dat Scott een aantal onafgeronde ideeën bij elkaar had geschoven. Bij nadere beluistering word je dan vanzelf meegezogen in de weemoed die hij opnieuw ten toon spreidt. De muziek grijpt terug op zijn jeugdjaren. Een album dat is opgedragen aan zijn in 2011 overleden moeder Evelyn. Een van die momenten die je stil doen staan bij het leven.
Mede daarom dat Long Rode Home aanzienlijk leunt richting de countryzijde van de Americana. Meer dan wat ik van hem gewend ben. 16 nummers bevat dit album maar liefst, waarmee ruim een uur muziek wordt aangeboden. Een klassiek aandoend countrynummer doet hij samen met Wayne Scott. Het album was al afgerond toen 18 november eveneens de vader van Darrell stierf aan de gevolgen van een verkeersongeval. Hij verzorgt een gedeelte van de vocalen hier. Verder zijn op dit album van de partij Hargus “Pig” Robbins (piano), Dennis Crouch (staande bas) en uiteraard percussionist Kenny Malone. (Onlangs verscheen eveneens op DVD een live registratie van Scott & Malone onder de titel Jammin’ at Hippy Jacks). Een uitstekend duet met Guy Clark komt langs, evenals de vocale bijdragen van mensen als Tim O’Brien, Rodney Crowell en Patty Griffin. Een enkel nummer als You’ll Be with Me all the Way alleen al zegt waarom Scott’s muziek de moeite waard is.
http://www.darrellscott.com/
|
Dave Desmelik: Deep Down The Definition
Rein van den Berg 14-1-2012
Dave Desmelik behoort tot die categorie artiesten die je gemakkelijk in de blinde hoek schuift, zeker wanneer je hem slechts voorziet van een oppervlakkige luisterbeurt. Zijn muziek verdient gewoon meer aandacht om hem op waarde te schatten. Bij zijn vorige album – Onlooker – ervoer ik dat, en datzelfde geldt wederom voor Deep Down The Definition. Het woord “Expliciet” trof ik ergens, aangebracht ter waarschuwing. Ik heb echter niets onvertogens of schokkends mogen ontwaren. Qua duidelijkheid laat deze troubadour weinig te wensen over. Geen politiek, doch eerder een romanticus die onze dagelijkse beslommeringen analyseert en luisterrijk blootlegt. Hij draagt zijn hart als het ware op zijn tong, zonder te verzanden in zelfbeklag of gezemel. Mooie beeldende teksten worden treffend weergegeven. De intensiteit is niet mis te verstaan. Op een manier die een nuchtere persoonlijkheid verraadt. Dit, vooralsnog, laatste album lijkt andermaal aan scherpte gewonnen waardoor ik Dave Desmelik verder in mijn hart heb gesloten.
Hij is ontegenzeggelijk meer dan het stereotype: “man begeleidt zichzelf op gitaar”. Hij verstaat de kunst zich te onderscheiden puur op basis van karakter. Nog sterker als bij Onlooker krijg ik het gevoel dat Desmelik zijn eigen stijl gevonden heeft. En dat de man in vorm is blijkt wel uit zijn uitstekende gitaarspel. Zijn rauwe doch sierlijke manier van gitaarspelen doet mij denken aan de wijze waarop de Britse Michael Chapman mij indertijd wist te imponeren. Deep Down The Definition is Desmelik´s zevende plaat, en volgens mij wordt het tijd dat deze Amerikaan (Georgia) door een grotere groep Americana / Alternatieve folk liefhebbers “ontdekt” wordt. Hij is zonder enige twijfel één van de smaakmakers binnen dit genre. He captures the essence of doing things his way, gets a kick out of kicking back untamed on this day: zingt hij op He Won’t Go Down. Wanneer het water aan je lippen staat dan ben je tot veel in staat. Een plaat die zowel bedachtzaam als emotierijk is.
http://www.davedesmelik.com/
https://www.cdbaby.com/cd/davedesmelik
|
Michael Lewis: The Natural World
Hans Jansen 9-1-2012
Grensgebieden zowel in de natuur als in onze emoties, creativiteit en ratio. Magische ervaringen wanneer we de nacht achter ons laten en het langzamerhand ochtend wordt. Mythische momenten wanneer tijdens een wandeling het veld in bos overgaat. Deze grensgebieden inspireerden Michael Lewis bij het samenstellen van zijn solodebuut The Natural World. Een album getooid met de ondertitel Lyric-Driven Songs Of The Borderland. Lewis benadrukt dat hij het nodige te vertellen heeft vanuit zijn hart en hoofd.
Samen met zijn vrouw Denise Wilson vormt Michael, afkomstig uit Indiana, het duo Traveler’s Dream. Men speelt sinds elf jaar samen en schrijft inmiddels vier albums op hun conto. Hierbij putten beiden uit de Keltische folk en Amerikaanse traditionele muziek waarbij ook o.a. Frans-Canada als inspiratiebron dient.
Op The Natural World laat Lewis zich door zijn vrouw bijstaan op harmony vocals en Irish flute. Het instrumentarium bestaat verder uit cello, viool, staande en fretloze bas. Michael neemt gitaren, mandoline, bouzouki, piano en percussie voor zijn rekening evenals de vlekkeloze en open productie van het album.
Zijn warme stem spreekt direct aan, de voordracht bedeesd en ingetogen als David Wilcox en Larry John McNally. Het akoestische en klaterende gitaarspel is kristalhelder als dat van Bruce Cockburn. In zijn teksten deelt Lewis zijn voorliefde voor lyrische beschrijvingen van de natuur met de jonge Cockburn waarbij tevens het werk van Erica Wheeler op haar onvolprezen Good Summer Rain uitstekend als referentiepunt dienstdoen kan.
Naast een ondertitel bij het gehele album vermeldt Michael bij elke song in welke maand en jaar deze geschreven werd en vaak tevens voorzien van een korte introductie. Hierdoor leest het bijgevoegde boekje welhaast als een inkijkje in zijn persoonlijke dagboek.
Op The Natural World maakt Lewis vele wandelingen die niet zelden tot nieuwe inzichten leiden waarvan hij hier geïnspireerd verslag doet in dertien schitterende songs en één instrumentaal stuk waarin hij een winterse tuin tot leven wekt.
De overgang van het donker naar het licht vangt Michael in Solstice Night. Dit was onlangs mijn allereerste kennismaking met zijn muziek en deed mij onmiddelijk tot aankoop van het album overgaan. Lewis belijdt hier zijn voorliefde voor de winter en de stilte wanneer er een dik pak sneeuw gevallen is. De donkere en langste nacht van het jaar verlicht door sneeuw.
Dat hij een aandachtig beschouwer van zijn natuurlijke omgeving en zichzelf is laat What I Believe horen en waarbij “anders kijken” tot verdere verdieping leidt.
In het meeslepende Something To Give vraagt Michael zich af wat juist hij kan doen om de wereld tot een iets betere plek te maken en waarin hij zijn vrienden en zijn vrouw liefdevol portretteert.
Het absolute hoogtepunt van dit puntgave album is wat mij betreft het met een kraakheldere mandoline openende Into The World I Go. Lewis beschrijft hier hoe hij in alle vroegte op staat om aan één van zijn vele wandelingen in de alomtegenwoordige natuur te beginnen.
Dit is Michael Lewis ten voeten uit: “streams and dreams play in my head, fresh as dew on summer’s bed, now sets my mood, I close the door, into the fields I go”.
Luister, ergens daar in de verte huilt een coyote...
Volstrekt oprecht en ongekunsteld, The Natural World door Michael Lewis. Een pronkjuweel.
|
Ralf Illenberger: Red Rock Journeys
Rein van den Berg 9-1-2012
Ralf Illenberger schreef zelf begeleidende woorden voor bij zijn nieuwste album, Red Rock Journeys. Voeding voor zijn instrumentale songs vond hij in The Red Rock. Thuis in de streek Sedona (Arizona), waar deze Duitse gitarist sinds geruime tijd woont. De rotsige natuur bood de rust die Ralf gebruikte om te komen tot zijn akoestische landschapjes. De originele basistracks werden in de (Stockfisch) studio te Northeim hernieuwd ingespeeld. Samen met bassist Sandro Gulino ontstond aldaar het beoogde eindresultaat. Ieder individueel nummer krijgt naast een beeldende titel, een bescheiden nadere korte uitleg. Het nummer Osterspaziergang / Soleil werd geschreven op paaszaterdag, vrij geïnspireerd naar Goethe’s hymne op de zon, en bij Thinking of You – een walsje – verwijst Illenberger naar twee van zijn favoriete Franse componisten: Ravel & Debussy. Dergelijke links leg ik als luisteraar zelf niet, maar laat me desondanks gewillig meezuigen door hetgeen de beide musici me ruim 50 minuten lang voorschotelen. The Kiss werd op dit album overigens ingekort tot 7:34, terwijl de normale tijdsduur 41 minuten schijnt te zijn.
De melodielijnen zijn niet voorspelbaar. De structuur blijft verrassend. De musici weten terdege te intrigeren, maar ontbranden zelden in een spanningsveld die iemand als – een door mij enorm gewaardeerde - Marc Ribot neerlegt. Volgens mij moet je luisteren zonder verwachtingspatroon, en het muzikale gelaten over je heen laten gaan. Dat Ralf op een verschrikkelijke manier de stof van zijn instrument blaast is absoluut ondenkbaar. Red Rock Journeys schiet nergens uit zijn slof en bewandelt trouwmatig een vakkundig degelijkheid. Uitermate knap, maar emotioneel enigszins bloedeloos. Een feilloze instrumentale plaat maken waar emotie vanaf vloeit valt niet mee. Ralf Illenberger beoogt met zijn relativerende werkjes ongetwijfeld een ander uitgangspunt. Hij doet bij voortduring een poging te blijven boeien, maar of hij met Red Rock Journers een enthousiast publiek aanboort wens ik te betwijfelen. Daarvoor is zijn muziek in mijn oren te vrijblijvend. Geen slechte plaat, ongetwijfeld eentje die door vakbroeders op handen wordt gedragen, of zijn weerklank vindt in de klassieke hoek. Zelf blijf ik iets hangen in het luchtledige.
http://www.ralfillenberger.com/
|
John Statz: Old Fashioned
Rein van den Berg 7-1-2012
Tussen alle bedrijven door was het juist deze plaat van John Statz die zichzelf op de voorgrond bleef duwen in de afgelopen maand. Een eerlijke, open plaat die grossiert in eenvoud. Echter niet eentje van het soort “one take” sessie, Old Fashioned is “slechts” het resultaat van basale factoren als: zorgvuldigheid, musici met het hart op de goede plaats en een greep aan uitstekende nummers.
Voorheen was deze Statz voor mij een onbekende. Via Kelly Pardekooper’s laatste CD – Yonder – las ik dat de zeer door mij gewaardeerde Bo Ramsey meewerkte aan de totstandkoming van Old Fashioned. Zijn productionele advies en zijn eigenzinnige gitaarspel hebben al menig artiest van ruggengraat voorzien. Ook nu werpt Ramsey’s invloed zijn vruchten af.
Uit het luchtledige vallen doet John Statz nu ook weer niet. Hij heeft al een aantal albums op zijn naam staan, zoals Ghost Towns, met het schitterende nummer Night Train to Sarajevo. (zie: http://www.altcountryforum.nl/2010/08/16/john-statz-ghost-towns/ ) Statz muzikale visitekaartje is ook hoorbaar in het akoestische The Buddapest Sessions - een EP vindbaar op Internet. Een mooie introductie tot de vakkundigheid die Old Fashioned kenmerkt.
Deze nieuwe plaat verschijnt in de laatste week van januari via Yer Bird Records. Behalve Bo Ramsey’s aanwezigheid en Statz zelf uiteraard, hoor je Jeremiah Nelson (bespeelt alles wat snaren bezit, en meer!), Matt Donoghue (contrabas), Bob Black (banjo) en de bevallige Pieta Brown (vocalen). De muziek is geschreven door John Statz met uitzondering van Old Old Fashioned. Dit nummer is afkomstig van het tweede album van de band Frightened Rabbit. De klankkleur van Old Fashioned zou je kunnen rangschikken onder eigentijdse traditionele country-folk. Zelf heb ik bij het beluisteren van John Statz’s werk een bescheiden associatie naar A.J. Roach. Mogelijk dat je daarover zelf een andere mening hebt, maar in die richting moet je hem ongeveer plaatsen. Ik hoor bij dit album uitsluitend Best Intentions.
http://www.johnstatz.com/
|
The Black Keys: El Camino
Rein van den Berg 15-12-2011
Recentelijk heb ik de nodige eindejaarslijstjes onder ogen gehad. Dit album van The Black Keys zou er in principe niet tussen misstaan hebben, ware het niet dat de relatief late release amper gelegenheid biedt om de waarde van deze plaat juist in te schatten. Anderzijds kan ik me ook voorstellen dat niet iedereen zich kan vereenzelvigen met de powerpop van deze band. Hun repertoire bestaat niet uit diepgravend materiaal, maar bedient zich van onversneden, recht in het gezicht aankomende stampers. Emotieloos wil ik hun muziek niet omschrijven. Songs als Little Black Submarines laat horen dat beide mannen wel terdege beschikken over een zachtmoedige zijde. Wanneer halverwege het nummer het tempo acuut omslaat, wordt de emotie in een rauwe vorm verder op scherp gezet. Verhalend materiaal is leuk schijnen The Black Keys te willen zeggen, echter vervolgens gaat gewoon de beuk er in. Geen zoet pleisterwerk, maar een hoog beat gehalte. Het ritme staat wederom centraal bij het voormalige duo. Drums en bas draaien overuren, terwijl de ongepolijste zang en Auerbach’s scherp aangezette gitaar de druk verder opvoeren.
El Camino biedt geen nieuw ingeslagen wegen, en continueert de klasse waarin hun kracht ligt. Eigentijds gemaakte pop op het scherp van de snede. Muziek die refereert aan de blues, en aan de jaren zeventig, echter met de frisheid van het heden. Zoals al aangegeven, niet voor iedereen, maar wel terdege voor een grote groep. Live een band om je zoon mee naar toe te nemen, of je dochter, wellicht zelfs je echtgenoot. Top entertainment in de vorm van een heerlijk avondje uit lijkt me bij voorbaat gegarandeerd. Ik ben niet angstig dat El Camino van Carney, Auerbach en Burton voortijdig afzwakt of dooft. Zonder twijfel 1 van de toonaangevende bands van het moment, die wederom een heerlijke plaat hebben afgeleverd. Eentje waarbij de houdbaarheidsdatum niet spoedig verstreken is.
http://www.theblackkeys.com/
|
John Doyle: Shadow and Light
Hans Jansen 9-12-2011
Deze Ierse Amerikaan maakte in het grijze verleden deel uit van post-punk band Magazine en legde jaren later de fundamenten voor de grensoverschrijdende folkband Solas. Recentelijk zwaaide hij de scepter in de band van Joan Baez en sleepte een Grammy Award binnen met zijn project Doubleplay. Een samenwerking met violiste Liz Carroll. Vorig jaar verscheen het album Exiles In Return, samen met Karan Casey geconcipieerd. Verder is hij actief als producer en ook terug te vinden op illustere albums van bijvoorbeeld Heidi Talbot, Kate Rusby en Linda Thompson. Dit jaar maakt hij met Shadow and Light zijn derde solo-album. Zijn naam is John Doyle.
Doyle laat zich op zijn nieuwste album bijstaan door o.a. Tim O’Brien op mandoline, Alison Brown op banjo en Kenny Malone op allerhande percussie. Stuart Duncon speelt de fiddle, Todd Phillips op voorbeeldige basgitaar en accordeon, John Williams op fiddle en accordeon.
Opener Clear The Way is een rijk geïnstrumenteerd up-tempo stuk en behandelt de wederwaardigheden van The Irish Brigade in de Amerikaanse burgeroorlog waarmee Doyle dichtbij vergelijkbaar werk van Richard Shindell uitkomt. Thematisch sluit Doyle met Farewell To All That even verderop weer aan bij het oorlogsthema. Hier verhaalt John van de Ierse soldaten in de eerste wereldoorlog en gepaaid door de perfide Engelse regering met de belofte van toekomstig zelfbeschikkingrecht. Bij terugkomst uit de Grote Oorlog werd men echter niet zelden door de eigen bevolking als verrader van de goede zaak weggezet.
Dat Doyle een bovengemiddeld begenadigd gitarist is werd mij bij de eerste beluistering van dit album meteen duidelijk. Nergens etaleert hij zijn kunnen, maar speelt steeds in dienst van het uiteindelijke resultaat zodat ik het gevoel overhoud dat hij tot nog meer in staat mag worden geacht. Shadow and Light kent twee langere instrumentale stukken Killoran’s Church/Swedishish en Tribute to Donal Ward/The Carrachman getiteld. Doyle laat zijn gitaar en bouzouki beide malen in het eerste gedeelte ingetogen klinken waarna het tweede deel van de instrumentale stukken door de gehele begeleidingsband ingekleurd worden.
Dat Doyle ook vrijwel in zijn eentje buitengemeen boeit is te horen in The Arabic waarin hij bezingt hoe zijn over-overgrootvader Martin in 1916 de oversteek naar de Verenigde Staten waagt, om zich aldaar bij zijn broer te voegen. Martin stapt aan boord van S.S. Arabic waarna de Duitsers het schip ontdekken en torpederen waarbij 44 mensen een zeemansgraf vinden. Martin overleeft wonderwel. Doyle gaat op dezelfde voet voort met het ingetogen Wheel Of Fortune, wat mij betreft één van de hoogtepunten van Shadow and Light. Wat zal de toekomst de door hartzeer geplaagde goudzoeker brengen in Dawson City? Doyle roept hier met zijn iets hoger ingezette stem herinneringen op aan Bruce Cockburn in zijn jonge jaren.
Met traditional Bound for Botany Bay eert Doyle de dit jaar helaas overleden Mike Waterson. Hier wordt het verhaal van de naar Australië gedeporteerde gevangene vertelt met behulp van enkele gitaren en een fraai zoemende bas. Voor zijn dochter legt Doyle het tedere en fijngevoelige Little Sparrow vast. Het thema alcoholmisbruik komt treffend aan de orde in Bitter Brew. Alles wat rest is een lege fles, dromen van een zacht bed en “a black and bitter brew”
Verhalenverteller Doyle sluit Shadow and Light af met zijn droomduiding Selkie. Dit mythische fabeldier duikt niet zelden op als half zeehond en half mens. Voor het eerst is een zacht wiegende en bescheiden elektrische gitaar te horen, waarna John Doyle de luisteraar in stilte achterlaat.
Homepage http://www.johndoylemusic.com/
Releasedatum, 17 oktober 2011 Compass
|
Deadman: Take Up Your Mat And Walk
Martin Overheul 9-12-2011
Nog niet zo lang geleden was ik uitermate in mijn nopjes met Live At The Saxon Pub van het onvolprezen rootscollectief Deadman. Ik noemde het album toen ‘een prima voorgerecht tijdens het wachten op de nieuwe plaat’. Waar ik aan toevoegde dat als Robbie Robertson of Levon Helm toevallig op zoek waren naar een uitmuntend stel muzikanten om hen bij te staan op de een of andere tournee, ze maar eens met deze kerels moesten bellen.
Dat laatste is naar mijn weten nog niet gebeurd, maar die nieuwe plaat is intussen wél een feit. En om de nieuwsgierigheid naar de slotzin van deze bespreking maar meteen te bevredigen: het is, zoals de appetijtelijke entree al deed verhopen, een meesterwerkje geworden waarop frontman Steven Collins en zijn vijf partners in crime met recht trots mogen zijn.
Op Take Up Your Mat And Walk toont Deadman tonnen respect voor het muzikale verleden van de VS. Tijdens het luisteren naar songs als If I Lay Down In The River, Till The Morning Comes, Don’t Do This, This Old World’s Not Gonna Change en Oh Delilah hoor ik onmiskenbaar echo’s van (west coast) bands die de soundtrack van mijn leven hebben meegekleurd: The Band, Fleetwood Mac, Flying Burrito Brothers, Little Feat, Buffalo Springfield en zelfs een sprankje Moby Grape. Maar wat deze plaat vooral zo mooi maakt, is de heerlijke sound die Deadman van dit intrigerende maar al even verraderlijke recept maakt.
Take Up Your Mat And Walk kent geen enkel zwak moment. Sterker nog, de tien songs op dit album zijn elk op zich van een zodanig hoge kwaliteit dat het je tijdens het luisteren soms duizelt. En ze zorgen er een voor een voor dat het een onbegonnen zaak lijkt om hier twee of drie uitschieters aan te wijzen. Maar om mijn muzikale vriend Pete Berwick te citeren: ‘When someone tells you it cannot be done, spit in their eye and walk away. Then go do it’. Dus hier zijn, ‘for Pete’s sake’, de titels van drie songs die wat mij betreft wel eens tegen de eeuwigheid bestand kunnen zijn, zelfs al is het maar voor heel even: Oh Delilah, We All Need Love (dat achtergrondkoortje!) en de genereuze afsluiter Take Up Your Mat And Walk. Een grootse epiloog van een al even grootse plaat. Pet af, een tien met een griffel, ook nog eens een kus van de juf en minstens een rij vooruit!
www.deadmanonline.com
http://deadman.bandcamp
www.myspace.com/deadman
www.altcountryforum.nl/2011/08/31/deadman-live-at-the-saxon-pub
|
Lincoln Durham: The Shovel vs. The Howling Bones
Rein van den Berg 5-12-2011
Er wordt op deze site wel eens gerept over de inhoudelijke kwaliteiten van een plaat. Lijkt me vanzelfsprekend dat je zonder inhoud slechts leegte aantreft. Voor mij doet een fraai uiterlijk ook ter zake. Wanneer het inhoudelijke doorslaat in pretentie zijn fraaie woorden ook slechts camouflage. Die bedrieglijke vorm is dan minstens van het niveau welke schuil gaat bij een uitsluitend bekoorlijke vormgeving. Wat ik zoek in muziek is de balans. Een haast natuurlijke verfraaiing. Het ene hoeft niet mank te gaan aan het andere. Muziek hoort thuis op de weegschaal, in al zijn gedaantes. Uiteindelijk hebben we het over persoonlijke smaak. The Shovel versus The Howling Bones van Lincoln Durham verschijnt begin 2012, maar bevat genoeg argumenten om daarover nu alvast iets te vermelden. Een plaatje die van alles te doen heeft met vormgeving. Wikken en wegen, totdat de juist balans gevonden is proef je hier bij voortduring. Enerzijds zijn daar natuurlijke, vanzelfsprekende elementen zoals het aangenaam rauwe stemgeluid, anderzijds spreekt daar ook de ervaring van producers Ray Wylie Hubbard en George Reiff. Voldoende argumenten voor een serieuze luisterproef.
De naam van Durham komt voor mij volstrekt uit de lucht vallen. De hoes kent een fysieke fragmentarische overeenkomst zoals Dylan er uitzag halverwege de zeventiger jaren, en zoals hij staat afgebeeld staat op het vijfde deel uit The Bootleg serie The Rolling Thunder Revue. De eerste nummers openen als een feest voor het oor, zelfs het verwende oor. Ik verzwelg ze enthousiast, of is het andersom, en verzwelgen zij mij? Word ik hier ingepakt door hetgeen Durham en zijn maten hebben samengesteld? Subtiliteit is niet de eerste kwalificatie dit bij me opkomt, eerder bruut en gedreven; conventieloos. De artiest lijkt mij een zeer jonge kerel, echter het pallet wat wordt aangeboden is breed. Is eigentijds en bezit tegelijkertijd retro rock ingrediënten. Te mooi om waar te zijn bijna. Lekker rauw. Een veelvuldige factor aan hooks grijpen me, en niet alleen muzikaal, ook tekstueel weet de man het nodige bij me los te maken. De musici weten een heerlijke sfeertje neer te leggen die verwantschap bij mij oproept aan Rod Stewart’s vroege werk en aan The Faces. Een stompend geluid. Veel stevige drumbeats, een ondersteunende bas, en daaroverheen aangebracht een vette gitaar, van Lincoln zelf. De basis van de meeste tracks is enorm sterk, en de overige musici voegen daar slechts aan toe. Jeff Plankenhorn springt een keer bij, evenals Ray Wylie Hubbard zelf.
Wellicht had ik ter afsluiting van 2011 deze nieuwe plaat nog niet te berde moeten brengen. Mijn enthousiasme liet zich echter niet afremmen. Lincoln Durham is de eerste die ik gehoord heb van het komende jaar. Veelal sterke songs, waarbij de overdadige samenzang op People of the Land me ongetwijfeld vlot gaat vervelen. Die mogelijke verveling zal zich niet vlot inzetten bij de overige liedjes, en beperkt zich tot die ene. Een fris begin van 2012 ligt voor de boeg, en de eerste tonen daarvan heb ik gehoord in de vorm van deze veelbelovende plaat.
|
Kelly Pardekooper: Yonder
Rein van den Berg 5-12-2011
De spelling van Kelly’s achternaam blijf ik opmerkelijk vinden. Ongetwijfeld een fonetisch fenomeen dat vaste vorm kreeg nadat geëmigreerde voorouders hun weg vonden in het nieuwe land. (Of is het slechts een oud-Nederlandse spelling?) Enig onderzoek in de genealogie wijst uit dat er al “Pardekoopers” Iowa en Michigan (Kalamazoo) bewoonden rond 1857. Be that as it may, dit is ondertussen Kelly Pardekooper’s zesde album. Ik moet tot mijn schaamte bekennen dat ik slechts zijn debuut in de kast heb staan; 30-Weight. Sindsdien had ik zijn platen links laten liggen. Het kwam er doodeenvoudig niet van. Origineel afkomstig uit Iowa is de vrijage met Greg Brown of Bo Ramsey (Lees ook Dave Zollo en Teddy Morgan) voorstelbaar. Geen verkeerde invloed, eentje die terdege toevoegt aan het geluid van deze Pardekooper, met name het vette geluid van Ramsey’s gitaar spreekt mij zeer aan. Aan wie Ramsey zijn diensten ook verleent, succes verzekerd (Lucinda Williams, Greg en Pieta Brown hebben de aanwezigheid van Ramsey mogen proeven, maar ook was hij verdienstelijk voor The Pines, Charlie Parr en binnenkort het album Old Fashioned van John Statz)
Where I Come From, de openingssong van Yonder, zou zo op mijzelf kunnen slaan. Kan me vereenzelvigen met gedeeltes van de tekst. Hij bezingt waardes als respect, eerlijkheid en vertrouwen. Eigenschappen die een ieder voor zich wenst, en dient te bezitten. Het volgende nummer, de titelsong van deze plaat, bezit een lekkere luie groove. Hier is de invloed van Ramsey sterk aanwezig, en zijn gitaar trekt het nummer als het ware open, maakt het enorm toegankelijk. De toon is gezet, en vanaf dat moment kan dit album niet meer stuk. Behalve Pardekooper en Ramsey tref je op dit album aan Marty Christensen (bas en achtergrondzang), Steve Hayes (drums, percussie) en Brian Wilkie (honingzoete pedal steel). De afsluiter van dit album - Beautiful Thing - slaat op de creatie die je afgebeeld vindt op de hoes. Een soort “hearts on a string”vreter. Dit zeer originele schilderwerk is van Gene Flores. Kunst die appelleert aan je fantasie. Kelly Pardekooper bevindt zich op Yonder in zeer goed gezelschap, en zijn nummers zijn het hart waarop deze “icing of the cake” rust. Zijn muziek beantwoord compleet aan mijn verwachting, stelt geenszins teleur. Sterker, het is een sfeervol project tegen het einde van 2011 aan. Zoals gezegd, ik ken niet Pardekooper’s recentste cds, maar deze mag er terdege zijn. Mooi!
http://kellypardekooper.com/
|
Shane Sweeney: The Finding Time
Rein van den Berg 21-11-2011
Behalve luisterrijk snoepgoed, zoals dat van The Small Ponds (een bandje aangekleed rondom Caitlin Cary & Matt Douglas), tref je in de virtuele winkel van The Last Records ook de soloplaat van Shane Sweeney aan. Een album waarvan ik vind dat het allerminst kwaad kan om het eens in het zonnetje te zetten. Een jonge kerel. Iemand die “onderweg” is, en onderkent dat het thuis zo slecht nog niet is. Naast Micah Schnabel is hij behalve bassist, de tweede vocalist van de band Two Cow Garage. Iedereen maakt zijn eigen thuis, en bij Shane proef ik dat hij een jong gezin heeft. Een gezin dat hij perspectieven wil bieden. The Finding Time heeft te maken met jezelf comfortabel voelen en jezelf kunnen aankijken in de spiegel. Terwijl gewoon tevreden zijn voor sommige mensen al een opgave is, is het uiteraard helemaal fantastisch wanneer je bovenal trots bent op dat zelfbeeld, en de wijze waarop je je dagelijkse leven inkleurt. Volgens mij behoort Sweeney tot deze groep.
Dit album lijkt zo vanaf de heup geschoten. Eentje dat het resultaat zou kunnen zijn van de Veranda sessies. The Finding Time heeft geresulteerd in een ontspannen sfeer. De teksten zijn echter behoorlijk to the point. Iemand die zichzelf en zijn leven onderworpen heeft aan een analyse. Sweeney is – wanneer ik zijn woorden mag geloven – een gevoelig mens, maar een realist bovendien. Niet iemand die zichzelf in de slachtofferrol manoeuvreert, met doel om daarbij de medemens een slaatje uit te slaan. Hij lijkt me iemand die voldoening haalt uit zijn eigen inspanningen, en daar net als iedereen voor gerespecteerd wil worden. Vergeleken met Sweeney eerste – het digitale The Lost Art of Living – is dit album een mooie stap naar voren. Mij spreekt vooral de verhalende stijl die Sweeney hanteert aan, en de vlotte, doch kale productie is daarbij een aangename bijkomstigheid. Zijn zangtechniek behoeft ongetwijfeld verbetering, maar met de zeggingskracht is totaal niets mis.
Bron: http://www.lastchancerecords.com/products/Shane-Sweeney-%22The-Finding-Time%22-CD-PREORDER.html
Luisteren: http://ninebullets.net/archives/stream-the-new-shane-sweeny-album-the-finding-time
|
Joe Henry: Reverie
Martin Overheul en Arjan Post 20-11-2011
Wat de muziekwereld in eender welk decennium extra boeiend maakt, is de eenling, de muzikant die zijn of haar eigen weg gaat, obstinaat, overtuigd van het eigen gelijk en het eigen doel. Gustav Mahler was zo iemand en ruimschoots vóór hem deed Mozart een dergelijk kunstje al eens voor. Noem het eigenzinnigheid of authenticiteit, een feit is dat zij wegen betraden die vóór hen niet betreden werden. Frank Zappa was ook zo iemand en Bob Dylan is zo iemand. Eigenwijs, nu en dan met de kop tegen de muur knallend, succesvol of falend. Maar zelfs op de spaarzame momenten dat ze niet slagen in hun opzet, zijn ze nog altijd honderd keer interessanter dan het gros van de nulliteiten die de ether dagelijks bezoedelen.
Joe Henry is óók zo iemand. De man volgt al jarenlang zijn eigen pad en levert elke keer opnieuw werk af dat boeit, schittert en intrigeert. Reverie is de twaalfde parel aan zijn intussen meer dan indrukwekkende kroon. De plaat werd bij Henry thuis opgenomen in een sfeer die je op zijn minst ontspannen kunt noemen. Tijdens de sessies bleven zelfs de ramen van de studio opzettelijk openstaan. Daardoor hoor je af toe buitengeluiden die een zekere mate van intimiteit aan het geheel toevoegen.
Reverie begint beresterk met Heaven’s Escape, een song die op een treurmars geënt lijkt maar gaandeweg overgaat in een slepende fin-de-siècle wals met inventief drumwerk van Jay Bellerose (die op een akelig hoog niveau drumt), uitgekiende pianoriffs van Patrick Warren en intrigerend gitaarwerk van Marc Ribot. Waarmee Joe Henry een muzikale triomftocht inzet die de luisteraar na ruim een uur overrompeld achterlaat. Tussendoor vergeet je soms te ademen tijdens het luisteren zoals bij After The War, een nuchter dronkzeemanslied met opnieuw een vooraanstaande rol voor de piano, en het bluesy Dark Tears (‘My camera doesn’t lie to me / I see dark tears behind its eyes’).
In het wonderlijk mooie Tomorrow Is October schenkt Henry uit een karaf die tot aan de rand gevuld is met weemoed, herfstachtige klanken en schimmen van saudade en tristesse zonder zijn song ook maar één moment droefgeestig te laten worden. Een soortgelijke sfeer roept hij op in Unspeakable en The World And All I Know, de twee door merg en been snijdende songs waarmee dit meesterlijke album afsluit. Songs ook die duidelijk maken dat vakmanschap in de beste zin van het woord kan leiden tot muziek die zich in je ziel vastzet met weerhaken zo sterk als staalkabels. Reverie is van begin tot einde opgetrokken uit dat soort muziek: obstinaat, overtuigd van het eigen gelijk en het eigen doel. En is daardoor een plaat met een geheel eigen smoelwerk.
(Martin Overheul)
Review Arjan Post
Spitsvondig en eigenzinnig. Op deze manier kun je Joe Henry’s muziek het beste omschrijven. Het bevat elementen uit jazz, blues, folk en alt-country die hij op volledig eigen en unieke wijze weet samen te smelten tot iets compleet eigens. Hij is daarbij schatplichtig aan collega's als Randy Newman en misschien wel het meest aan Tom Waits. Ook zijn stem heeft wel iets weg van de oude Waits uit de jaren zeventig. Henry is als muzikant niet zo bekend en werkt om onbegrijpelijke redenen vanuit de marge. Niet door de kwaliteit van zijn muziek overigens. Die is van een kaliber zoals er maar weinig gemaakt wordt tegenwoordig. Bekendheid heeft hij meer als producer van schitterende albums van Mary Gauthier, Elvis Costello, Solomon Burke, Allan Touisant, Bettey Lavette en Over The Rhine. Hij heeft daarop een eigen sound weten toe te voegen aan het geluid van deze mensen. Dit eigen geluid heeft hij ook op zijn eigen werk.
Reverie is alweer zijn twaalfde album. Met name zijn laatste twee (Civilians uit 2007 en Blood From Stars uit 2009) zijn van ongekend niveau. Reverie doet daar niet voor onder. Het knappe is dat Henry met zijn compleet eigen sound en songs toch weer een artistieke andere invulling heeft kunnen geven. Reverie laat zich het best beluisteren via een hoofdtelefoon. Allerlei schakeringen komen daarbij tot leven. Henry heeft er voor gekozen om het album op te nemen met op de achtergrond allerlei buitengeluiden. Dit maakt het album erg organisch en geeft een sfeer en klankkleur aan het album dat weergaloos is. Naast de knappe songs, abstracte teksten en muzikale invulling door Henry zelf zijn ook de begeleiders van Henry in topvorm. Met name drummer Jay Bellerose verdient een groot compliment. Wat een raak drumwerk en van wat een schoonheid en subtiliteit. Ook het pianowerk is van een grote aanvulling op het geheel. Er gebeurt muzikaal zoveel in de veertien nummers dat het bij tijd en wijle lijkt alsof er naast, achter en door de nummers nog andere nummers lopen. In dat opzicht kun je het album nog het best als een jazz-album categoriseren, hoewel de blues ook nooit ver weg is.
Reverie is een album, net als al zijn werk, dat aandacht, zorg en tijd nodig heeft om tot volledige wasdom te komen. Wie echter de tijd neemt om dit te doen gaat het volgende meesterwerk van deze songwriter ontdekken. 's Mans teksten zijn vrijwel altijd van een abstractieniveau dat mij enerzijds irriteert omdat ik altijd graag wil kunnen volgen waarover er gezongen wordt, anderzijds zijn de avontuurlijke muziek en de tekstuele zoektocht elementen waardoor je het album keer op keer wilt pakken en de aandacht wilt geven die het verdient en nodig heeft.
Een of een paar hoogtepunten noemen is schier onmogelijk. Vanaf opener Heaven's Escape tot afsluiter The World And All I Know grijpt Henry je ongemerkt bij je lurven om je pas na een vol uur weer los te laten. In de tussentijd je ademloos meenemend in zijn eigen wereld en je volledig wezenloos achterlatend. Henry wordt door vele critici en muziekliefhebbers niet op waarde geschat en krijgt daardoor niet de aandacht die hij met zijn werk verdient. Wat dat betreft zou ik al die mensen met Reverie, Blood From Stars en Civilians om de oren willen slaan en de muziek erin willen stampen. Zo werkt het echter niet, weet ik ook. Toch is het doodzonde dat zo'n vakman vanuit de marge zijn werk op de wereld moet loslaten en door zo vele liefhebbers van jazz, blues, folk en alt-country niet ontdekt wil worden. Maar wellicht dat dat direct zijn grootste probleem is. Het is en jazz, en blues. Het is en folk en altcountry. Dat zet waarschijnlijk velen op het verkeerde been, waardoor niet de juiste tijd wordt gegeven om te ontdekken wat het is wat Henry na staat. Wie dat wel doet, zoals gezegd, ontdekt een schoonheid, pracht en subtiliteit waar je jaren van zal genieten. In die onontdekte situatie ligt er verwantschap met een band als Willard Grant Conspiracy en OverThe Rhine. Door een relatief kleine groep mensen op waarde geschat, die proberen dit over de daken te schreeuwen naar mensen die te druk zijn om te luisteren. Reverie zal ik de komende jaren met veel plezier nog vele keren beluisteren en daar elke keer weer iets nieuwe in ontdekken. Is dat niet waar Kunst, met een grote K , voor bedoeld is? Een nieuw meesterwerk in de indrukwekkende catalogus van deze kunstenaar en Reverie zal dan ook aan het eind van het jaar eenzaam hoog op nummer 1 van mijn jaarlijstje prijken.
|
Joey Kneiser: The All-Night Bedroom Revival
Rein van den Berg 20-11-2011
Een paar weken geleden werd de plaat Long Live all Of Us me getipt door een vage muziekvriend. Hierdoor kwam ik terecht in de wereld van Glossary, en indirect binnen de vangarmen van Last Chance Records. Een inspirerende omgeving wanneer je het mij vraagt, want binnen no-time duikelden een aantal opmerkelijke artiesten over mij heen. Ik ben er nog niet achter hoe de diverse dwarsverbanden lopen, maar bevind me in een rijke artistieke hoek. Je loopt tegen namen op als Slobberbone, Two Cow Garage en dus ook Glossary, en alles wat daar in meerdere of mindere mate aan verwant is. Zo komt ook iemand als singer-songwriter Austin Lucas er bovendrijven. Kortom een nest aan interessante plaatjes die er op wachten beluisterd en ontdekt te worden.
De naam Joey Kneiser kende ik voorheen enkel van de verzamelplaat Music for the Mountains, waarin door een keur aan artiesten aandacht werd gevraagd ter bescherming van de ecologische waarde van een bergstreek die zich uitstrekt van Kentucky, West Virginia tot Oost Tennessee. Een gezond leefmilieu boven economische groei en financieel gewin. Keuzes waarbij geappelleerd wordt aan het gezonde verstand en de verwoestende werking van de mens wordt onderkend en afgeremd. Behalve zijn bezigheden als frontman van de band Glossary heeft Kneiser tijd gevonden om The All-Night Bedroom Revival te vervaardigen. Een solistisch intiem geheel zoals de hoes min of meer al suggereert. Een plaat die een warme ambiance weet te creëren voor wanneer de zon is ondergegaan. Behalve kaarslicht en een goed middenrifgevoel weet Joey zich vergezeld van basale instrumenten. Overwegend gitaar valt te beluisteren, mondharmonica en een spaarzaam aanwezige piano. Hij beperkt zich niet alleen tot het akoestische, weet incidenteel zijn liedjes aan te kleden met fijnzinnige geluidseffecten. De liefhebber van het traditionele werk moet zich hierdoor niet meteen de schrik om zijn hart krijgen, want de plaat blijft te allen tijde sfeervol. Op de van Kevin Kerby’s afkomstige solo debuut na is Paper Mills and Broken Hills het enige nummer die niet geschreven werd door Kneiser zelf. Niet alleen de titels van zijn werk spreken tot de verbeelding. Kneiser is zich bewust hoe de wereld draait, en welk aandeel hij wordt verondersteld te spelen. Vanuit dat bewustzijn schrijft hij zijn teksten. Observerend, analyserend en gelouterd. Kortom een artiest die veel in huis heeft, en beslist nog het nodige van zich zal laten horen. Een artistieke bron die gedoseerd vrijvalt. Ongetwijfeld oude koek voor hen die Glossary al hadden ontdekt.
Homepage: http://www.lastchancerecords.com/
Luisteren: http://thisisamericanmusic.com/product.php?id_product=13
|
Fred Eaglesmith: 6 Volts
Rein van den Berg 20-11-2011
Eaglesmith vertoeft momenteel voor een reeks optredens – en wat al niet meer – in ons land. De meeste “Fred” liefhebbers alhier hebben hem al eens live aanschouwd, een groot aantal daarvan zonder twijfel meerdere malen. Zelf behoor ik ook tot deze doelgroep. Heb hem een aantal keren gezien. Eerlijkheidshalve beken ik daarbij dat ik niet in de eerste plaats voor Fred zelf kwam, maar eerder voor zijn mandolinespeler Willie P. Bennett. Ik ben/was gek op de innemende muziek van deze originele singer-songwriter. Helaas Willie P. is niet meer. Gelukkig heeft Fred voldoende persoonlijkheid om zijn eigen act sier te geven. Ook zijn muziek is zonder Bennett interessant genoeg. Dat moet ook wel, want ik heb uiteindelijk elf titels van hem in mijn collectie staan, en een DVD met een live-registratie van beneden het zeeniveau. De eerste die ik van hem kocht was Drive-In Movie. Geloof het, of niet, maar die titel was indertijd nog moeizaam verkrijgbaar. Niet een exemplaar dat je in de reguliere winkel kocht. Datzelfde geldt tevens voor 6 Volts, want ook die is uitsluitend via de man zelf verkrijgbaar. Te koop tijdens zijn optredens, of bestelbaar via zijn homepage. Daarna, in 2012, komt deze titel naar verluidt in de vrije handel. Deze eerste edities zijn handgemaakt, en kennen vijf verschillende varianten. Mooi als collectors item.
Fred zijn gelijknamige debuut dateert van 1980. Ik ken de plaat niet, ook zijn tweede niet. Ben slechts teruggegraven tot het album Things is Changin’ uit 1993. Een voortreffelijke plaat die hij maakte met zijn begeleidingsband The Flying Squirrels. Een stel vrijgevochten kerels dat zich bezighield met muziek maken, onderweg zijn, en een vermakelijk leven vieren. Complexiteiten werden bij voorkeur omzeild. Naast muziek maken bestond het leven louter uit plezier maken. Evenals in die periode is “Flying Squirrel” Scott Merritt op 6 Volts nog steeds van de partij. In grote lijnen kun je stellen dat de muziek van Eaglesmith weinig veranderd is. De thema’s die hij bezingt kennen veelvuldig dezelfde strekking. Zonder gespreksstof zitten doet de man nimmer, weten de trouwe bezoekers. De klasse van iedere individuele plaat hangt samen met de mate waarin Eaglesmith geïnspireerd is. En wanneer je een rekenmodel zou toepassen dan behoort deze nieuwe plaat tot één van die albums waarbij de kwaliteitsnaald dit keer extra naar boven veert.
Waarschijnlijk heeft iedereen zo zijn voorkeur waar het Fred’s albums betreft. Ondanks de rode draad heeft hij een paar afwijkende stijlmomenten toegepast (Denk daarbij aan Balin (met The Flathead Noodlers), en ook een plaat als Tinderbox werd niet door iedereen begrepen). 6 Volts behoort tot de categorie zoals de meesten Fred kennen, en tevens graag horen, inclusief ikzelf. Het album toont Eaglesmith van zijn gevoelige kant, is veelzijdig bovendien. Het herinnert aan zijn tijd met de Squirrels, maar de plaat bevat daarnaast ook rauwere momenten. Zoals het nummer Johnny Cash, dat sterke referenties oproept aan Neil Young’s gitaarspel. Stars is een melancholische wandeling langs memory lane; “We thought it would never end, we played like we were stars.” De instrumentatie hoort thuis in het landschappelijke. Denkbeeldige situeren we de opnames tussen hooiberg en graanschuur. Karakter bezit hij nog steeds deze als Elgersma geboren Canadees. Geen ster met allures, maar een artiest zoals we ze graag zien, met twee benen op de grond.
Homepage: http://www.fredeaglesmith.com/
|
Jeff Black: Plow through the Mystic
Rein van den Berg 17-11-2011
Er zijn alweer een aantal jaren verstreken sinds Jeff Black’s laatste officiële cd verscheen. De vorige, Mining, was bij mijn weten slechts verkrijgbaar als een “aflaadbaar” exemplaar. Een album met overwegend liedjes uit Blacks pre-Birmingham Road periode. Het bevatte zelfs twee nummers van dat debuut, uitgevoerd in een kale versie. Bevrijd van mogelijke pracht en praal. Weinig aandacht werd geschonken aan Mining, niet in de laatste plaats door Jeff Black zelf. Qua uitdrukkingsvermogen allerminst een ondergeschoven project, maar die indruk kreeg je wel door de haast onverschillige manier waarop hij werd uitgebracht. Alsof Jeff genoeg had van de muziekbusiness, en door zijn wijze van handelen een stil protest opvoerde. Nu staat Plow Through the Mystic op punt van verschijnen. Integraal te beluisteren op internet tot de verschijningsdatum: 22 november.
Ik heb het gehele oeuvre van Jeff Black in de kast staan. Vond hem altijd een uitstekend singer-songwriter. Wellicht zelfs enigszins ondergewaardeerd. Met Plow Through the Mystic doet hij alle twijfels over zijn carrière verstommen, want ik kan me enkel voorstellen dat de man met deze nieuwe plaat zijn naam permanent gaat vestigen. De twijfel voorbij, de ploeg doorklieft de mystiek. Muziek met een overtuiging om bij beurten warm en koud van te worden. Een puntgave productie! Een subtiel versierde bare-bone. Smaakvolle momenten hebben mijn oren uitsluitend kunnen ontwaren. Nergens kreeg ik de behoefte om door te spoelen naar een volgende track, en iedere keer wanneer de plaat eindigde begon ik weer opnieuw. Muziek in de geest van Malcolm Holcolm, Eric Taylor en Tom Waits, maar volstrekt eigenzinnig. Een album dat je op je gemak, in alle rust, tot je moet nemen. Virgil’s Blues alleen al is voldoende om je in een gewichtloze toestand te brengen. Kort, maar zeer gevoelig vastgelegd, waarbij de argeloze luisteraar ademloos achterblijft. Jeff heeft voor de gelegenheid een paar voortreffelijke musici weten te lijmen. Twee snarenwonders in de vorm van Sam Bush en Jerry Douglas laten horen waarop hun reputatie gebaseerd is.
Jeff Black heeft zichzelf een periode gegund om alles op een rijtje te zetten. Hij heeft zich geen eenvoudige taak gesteld, heeft echter het kaf van het koren gescheiden. Het resultaat is er naar. Een plaat die volstrekt in balans is en mijns inziens geen zwakke momenten bevat. Een album om het jaar 2011 waardig mee af te sluiten. Homepage: http://www.jeffblack.com/
|
Buffalo Clover: Low Down Time
Rein van den Berg 13-11-2011
Kijk, de ultieme plaat, daar ben ik niet naar op zoek, die heb ik allang in de kast staan. Muziek zou je in principe überhaupt niet moeten zoeken, die vindt jou, of laat zich vinden - op het moment dat je het niet verwacht. Buffalo Clover is een beschermde plant, zeldzaam dus, evenals de directe eenvoud van de gelijknamige band van deze recensie. Er valt ook weinig over deze nieuwe band te vertellen. Ze bestaan nog slechts kort. Na Pick Your Poison uit 2010 is dit hun tweede album. Hun uiterlijk verraadt meteen uit welke invalshoek we hun muziek kunnen verwachten. Evengoed bewandelen zij geen platgetreden paden. Ervaar hun geluid dan ook zeer stellig als origineel en verfrissend. Ook al ligt de geboortegrond van deze band te Nashville, dit is beslist geen country met een overdaad aan twang of steelgitaar. Het valt nog net binnen de grenzen van een term als americana.
Buffalo Clover heeft weliswaar landschappelijke kenmerken, maar dankt zijn unieke geluid eerder aan de individuele componenten van de bandleden. Als kern van de band kun je aanwijzen Jeremy Ivey en Margo Price. Behalve als songschrijvend duo van deze Amerikaanse band gaan zij tevens als echtpaar door het leven. In 2009 voegde Matt Gardner zich bij dit tweetal, en nam de taak van gitarist en banjospeler voor zijn rekening. Ook bassist Jason White laat zich niet onder stoelen of banken schuiven. Ze hebben hun folk gefundeerde sound dusdanig vermengd met een fikse dosis blues en soul. Dusdanig dat ze in een toekomstige Quentin Tarantino geen flater zouden slaan. Een mooi vol totaalgeluid, indien noodzakelijk aangevuld met blazers. Ook de zang van Margo Price voegt zich uitstekend binnen het geheel. Low Down Time is een vlotte plaat, met een struise retro knipoog. Een serieuze band waarbij tevens ruimte bestaat voor een stukje entertainment. Geen musici die zich slechts bekwaamd hebben in het bespelen van hun instrumenten, maar die tevens hun persoonlijkheid laten spreken.
In tegenstelling tot een horde buffels overrompelt en verrast de muziek van Buffalo Clover. Hun kwaliteiten en veelzijdigheid worden op deze plaat knap voor het licht gehouden, en komen per individuele song ieder maal volledig tot wasdom. Een uiterst aangenaam geluid dat je pakt uit de onverwachte hoek. Geen band die zich geruggensteund weet door een producent van naam of faam, maar die ondertussen wel een lekkere karaktervolle plaat weet te fabriceren. Een plaat waar je in je eentje van kan genieten, maar tevens een exemplaar dat zal scoren in een gezelschap. Samengevat: mocht deze band zich ooit aankondigen als live act in je woonomgeving herinner je dan dit advies: “Gaan!”
Homepage: http://buffaloclover.com/
|
Three Metre Day: Coasting Notes
John Smits 10-11-2011
In bijna twintig jaar tijd maakte de hier vrijwel onbekende band The Henrys een vijftal opmerkelijke platen, die opvielen door hun originaliteit, pure schoonheid en onclassificeerbaarheid. Inmiddels moeilijk te krijgen, maar wie graag zijn muzikale bakens zo nu en dan verzet moet beslist eens proberen platen als ‘Joyous Porous’ (2002) of het tamelijk recente ‘Is This Tomorrow’ (2009) te pakken te krijgen. Ik heb, in retrospect, wel eens het gevoel dat dit de muziek zou kunnen zijn van een groep als Pink Floyd, als ze niet de weg van de massaconsumptiepop waren ingeslagen. Maar beschouw dat gerust als een persoonlijke aberratie.
Bandleider van The Henrys was Don Rooke, excellent akoestisch gitarist met een voorkeur voor antieke (Weissenborn en Kona) gitaren. Een ander bandlid was violist Hugh Marsh, menigeen waarschijnlijk bekend van platen van Bruce Cockburn. En dan was er nog een jong zangeresje, Michelle Willis, die zo af en toe voor gastvocalen zorgde. Ik haal dit drietal eruit omdat ze onlangs een nieuwe groep (beschouw het als de voortzetting van Ther Henrys of als een frisse zijtak) onder de naam Three Metre Day hebben gevormd en onlangs hun eerste album, Coasting Notes, hebben uitgebracht. Het drietal wordt aangevuld met bassist David Piltch en drummer Davide Direnzo.
Wat meteen opvalt op Coasting Notes is dat het jonge zangeresje een zeer prominente plaats ingenomen heeft. Niet alleen door haar fraaie, verleidelijke vocalen, maar ook door de voortdurende sterke aanwezigheid van het door haar bespeelde harmonium. Hoewel haar aanwezigheid daardoor het meest voelbaar is, zijn de bijdragen van Rooke en Marsh zeker zo essentieel voor het schitterende klankbeeld op de cd. Het eerste nummer is al meteen een heerlijke tractatie, I’m Like an Oak is een mooi lied over een onbereikbare liefde, waarbij tegen een weemoedige achtergroind de opgewekte vocalen de hoop weerspiegelen (Please baby please / I’ll buy you a ring / I’ll take out a loan and / Get you nearly everything).
De volgende song is abstracter en intenser. Absecon Bay gaat over afstand nemen en loslaten, de zoektocht naar innerlijke rust: Her treasures now sent away / She pushed offshore for Absecon Bay / There she could float / In her homemade boat / And all her troubles / Would sift away. Een adembenemende song die binnendringt als een weldadige nevel, iets wat gezegd kan worden van de hele plaat, die langzaam bezit van je neemt en met elke luisterbeurt wat meer prijsgeeft.
Stay That Way, de derde song op het album, is een prachtige track om een idee te krijgen van de muziek die 3MD op deze plaat ten gehore brengt, en terecht vooraf uitgebracht en verspreid. Willis’ vocalen lokken je meteen naar binnen en als je daar bent aanbeland blijkt er geen weg terug, je dobbert op de prachtige sfeervolle klanken willoos, maar in opperste verrukking: You gotta stay that way / You’re a wonderful way to stay / Don’t say a word for the rest of the day / Don’t lift a finger, you won’t need to today / … So please stay that way. Zelden zo graag aan een verzoek voldaan…
De cd opent met deze prachtige trits magistraal en bedwelmend, het vervolg is niet minder betoverend. Bij een eerste oppervlakkige luisterbeurt kan makkelijk, zo ergens halverwege, het idee ontstaan dat de muziek op deze cd wat eenvormig is, dat het harmonium toch wat veel de sfeer bepaalt. In dat geval kan ik je verzekeren dat vaker en beter luisteren loont, want er zit een grote schoonheid verstopt in de subtiele muzikale nuances in combinatie met de poëtische, maar soms ook heel humoristische, teksten. Zo staat er naast het zwaarmoedig beginnende The Crown, een volgend onmiskenbaar hoogtepunt waarin halverwege de hoop van de verlossing (of misschien beter: oplossing) doorbreekt, het sinistere Left at the Prairies, het lavende Honey Drip, de humor van Reputation Girl, dat je overigens licht ongemakkelijk achterlaat, de weemoedige berusting van This Day Is Getting Old en de berouwvolle hoop van We Now Hope We Win.
Zo is Coasting Notes een boeket bestaande uit rijke grijstinten, of zo je wilt prachtige herfsttinten. Teksten en muziek om je in onder te dompelen als je in een beschouwende bui bent. Soms wil je huppelen en soms wil je dansen, maar soms wil je ook wegdobberen op een oceaan van gedachten.Coasting Notes is een van de meest indringende platen van dit rijke muzikale jaar.
Releasedatum: 1 november 2011
Label: 3MD
http://www.threemetreday.com
Video ‘Stay That Way’:
|
Matty Charles: Back at Your Door
Rein van den Berg 9-11-2011
Nog niet al te gek lang geleden bracht Sandra (LD) op deze site Matty Charles onder de aandacht. In haar tekst verbaasde zij zich dat Lover in Arms zo weinig publiek had weten te vinden. En dat terwijl de liedjes en vorm toch alle ingrediënten bezitten die komen uit de koker van een gedreven singer songwriter. Los van het commerciële motief wordt zij in eerste instantie gedreven door haar liefde voor de muziek, en ze heeft volkomen gelijk wanneer ze stelt dat Matty Charles het beluisteren waard is. Niet alleen zijn vorige, ook op Back at Your Door – zijn recentste uiting – laat hij andermaal horen uit welk hout hij gesneden is. Een plaat die twaalf nummers bevat die vlot achter elkaar wegtikken.
Qua stijl roept hij veel bij mij op. Charles heeft namelijk ontzettend goed geluisterd naar de geschiedenis van de muziek waarin hij grossiert. Soms meen je iets bekends te horen, maar dan geeft hij tijdig zo zijn eigen wending. Zoals iedere zichzelf respecterende artiest uit de traditionele country stouwt Charles zijn repertoire vol met geromantiseerd leed. Om de leedrijke teksten te camoufleren (Drinking Again) verschuilt Charles zich met regelmaat in vlotte up tempo. Ook de toegepaste hooks die je terugvindt (Caution) roepen een vergelijking op met oudere muziek van Johnny Cash. Instrumentatie over het gehele album is behoorlijk schaars. Behalve Charles’ “finger picking” hoor je uitsluitend drums, bas en een incidentele mondharmonica. Hierdoor dreigt het album enigszins vlak te worden. Gelukkig bieden de composities zelf voldoende variatie. Ook het duet met Cynthia Hopkins is daarbij een welkome afwisseling. Voor het overige is het luisteren geblazen, want tussen al het leed door valt een lach moeilijk te onderdrukken. Matty Charles vertelt verhaaltjes, en dan moet je bij de les blijven om te genieten. Deze eigentijdse troubadour lijkt me dan ook een welkome gast binnen het circuit van huiskamerconcertjes en duistere kroegen. Zij voegen bij aan de intimiteit waarbij dit soort artiesten tot hun recht komen.
Homepage: http://www.mattycharlesmusic.com/
|
Red Molly: Light in the Sky
Martin Overheul 5-11-2011
Gelegenheidsgroepen willen in de dagelijkse realiteit wel eens lelijk tegenvallen. Te hoog gestemde verwachtingen bij het publiek, een te vrijblijvende inzet van de accidentele groepsleden, songs die klinken als afleggertjes van eerdere soloalbums, en een cohesie die nog het meest lijkt op los zand. Niets daarvan bij het heerlijke trio Red Molly dat naast oudgedienden Abbie Gardner en Laurie MacAllister nu ook kan rekenen op de onmiskenbare vocale en compositorische talenten van Molly Venter (luister eens naar haar cd Love Me Like You Mean It) die de groep vervoegde omdat medeoprichtster Carolann Solebello na drie groepsalbums besloot haar eigen weg te gaan.
Met Venter in de gelederen brengt Red Molly nu Light In The Sky uit, een wervelend plaatje dat kan doorgaan voor een ultieme staalkaart van hedendaagse americana: jazzy western swing, bluesy ballads, country, een snuifje rootsrock en hier en daar een flard soul. In de handen en vooral door de stemmen van Gardner, MacAllistar en Venter krijgt deze bonte mengeling van muzikale stijlen een geheel eigen klankkleur die boeit van de eerste tot lang na de laatste noot.
Om een Dylan-boutade te parafraseren: niemand zingt Gillian Welch zoals Gillian Welch, maar de a capella versie van Dear Someone waarmee het album begint kan wedijveren met het origineel. En hoewel dat een stuk moeilijker ligt met een nummer van de legendarische Robert Johnson, is de interpretatie die de dames van diens Come On In My Kitchen presenteren van een bijna onaardse schoonheid. De vocalen zijn om door een ringetje te halen, Gardner is uitstekend op dreef op dobro en op de achtergrond klinkt een soulvol orgel. Waarna Oh My Michael, een zalige folksong volgens Brits model, opnieuw laat horen waartoe Red Molly vocaal in staat is.
En het blijft mooi. De cover van Does My Ring Hurt Your Finger moet van songschrijver Buddy Miller een nog tevredener man maken dan hij allicht reeds is, een constatering die ook geldt voor de wijze waarop Mark Erelli’s prachtsong Ghost hier in nieuwe kleren wordt gestoken én voor de extra gloed die aan een toch al prachtige song als It’s Too Late To Call It A Night van Amy Speace en Jonathan Byrd wordt toegevoegd. Maar ook als Red Molly op eigen krachten navigeert, is het resultaat indrukwekkend. Zo is Hold It All, een parel van Molly Venter, een van de mooiste ballades die ik de laatste maanden heb gehoord. En Hello Goodbye, geschreven door vader en dochter Gardner, is als de zon die doorbreekt op een regenachtige dag.
“We’re having so much fun as a band right now. We’re excited to see what happens next”, laat Molly Venter ergens optekenen. Hopelijk meer van dit soort platen, lieve Molly, Abbie en Laurie. En misschien een bezoekje aan de lage landen?
www.redmolly.com
www.myspace.com/redmollyband
www.facebook.com/pages/Red-Molly/20466566337
|
Cowboy Junkies: The Nomad Series, Volume 3: Sing in my Meadows
Rein van den Berg 5-11-2011
Eerlijk gezegd had ik het wel een beetje gehad met de Cowboy Junkies, ware het niet dat deze Nomad-serie voor een verse injectie heeft gezorgd. De eerste uit deze serie loog er niet om, terwijl ook het eerbetoon aan Vic Chesnutt zeldzaam mooi was. Hij gleed kwalitatief zelfs over de eerste heen. Muziek is geen wedstrijd, en ik zal mij dus onthouden van verdere onderlinge vergelijkingen. Ik durf wel te stellen dat Sing in my Meadows uitsluitend meer prijsgeeft van datgene wat ik op basis van eerdere delen al kende. Een herboren band die zich uitleeft, durft en grenzen verlegt. Het ijzingwekkende Continental Drift zet met een overdaad aan gitaargeweld van meet af aan de toon. Een dreigend onrustig palet kleurt ditmaal de speakers. Wie denkt dat Cowboy Junkies een bezadigd bandje is komt van een koude kermis thuis. Heerlijk! Wat weten zij een maximaal effect te bereiken met zo weinig middelen.
Schokkend, schurend, pompend baant het openingsnummer zich een weg naar It’s Heavy Down Here. Eveneens filmisch, bijna als een aanschouwelijk landschap. Hier lijkt ruimte gereserveerd voor een ogenschijnlijk rustmoment, echter de dreiging van Michael Timmins elektrische trukendoos blijft sluimerend aanwezig. De zang van Margo krijgt hierdoor meer aandacht, terwijl ze ook elders haar aandacht blijft opeisen. Het zijn wederom de twee componenten die deze Cowboy Junkies-plaat vormen. In tegenstelling tot de twee vorige producten, daar was de dominantie van Michael’s gitaar aanzienlijke getemperd, gaat hij hier volledig los. Smaakvol, maar schaamteloos tegelijk… En toch is het optimaal genieten op deze derde uit de serie, op een huiveringwekkende manier bijna. Benieuwd wat de vierde in petto heeft.
Homepage: http://latentrecordings.com/cowboyjunkies/
MySpace: http://www.myspace.com/cowboyjunkies
|
John Prine: The Singing Mailman Delivers
John Smits 1-11-2011
In 1971 verscheen het eerste album van John Prine, toen 25 jaar oud. Het album bevatte een aantal songs die inmiddels klassiekers zijn, zoals Hello In There, Illegal Smile, Sam Stone en Angel From Montgomery. Juweeltjes in een stijl die we snel als typisch John Prine zouden herkennen: vol inlevingsvermogen en met een heerlijke wrange, maar liefdevolle humor. Neem Hello In There: twee bejaarden achter de geraniums, kinderen al lang het huis uit, ze hebben elkaar niet veel meer te vertellen. Maar veel herinneringen:
We lost Davey in the Korean war / and I still don’t know what for / don’t matter anymore.Ya know old trees just grow stronger / and old rivers grow wilder every day.Old people just grow lonesome / waiting for someone to say, ‘Hello in there, hello.’
De bejaardenproblematiek in een notendop, het kan toch moeilijk scherper en empathische worden opgeschreven. En dat gebeurt dan door een jongen in het begin van zijn twenties. Hij liep van deur tot deur als postbode in Chicago toen hij dit en al die andere prachtsongs schreef en trad regelmatig op in een of ander lokaal clubje. Zijn talent blijft niet onopgemerkt en hij werd gevraagd voor een interview, waarna hij een aantal van zijn songs ten gehore brengt. Ze worden godzijdank opgenomen en John, onlangs 65 geworden, vindt deze tape en een aantal live-opnamen bij het opruimen van zijn garage. Het moderne oppoetswerk doet wonderen en zo kunnen we nu genieten van een dubbel-cd, één cd met de demo-opnamen en één met live performances: The Singing Mailman Delivers.
Heerlijk als die prille versies van al die juweeltjes weer voorbijkomen. Hello in There, Souvenirs, Great Society Conflict Veteran’s Blues (bekend geworden onder de naam Sam Stone, over ten Vietnam-veteraan die aan de drugs raakt: ‘But the morfine eased the pain, and the grass gres round his brain … There’s a hole in Daddy’s arm where all the money goes, Jesus Christ died for nothing I suppoost’), Blue Umbrella, Illegal Smile, Angel from Montgomery. Prine heeft nog heel wat prachtige albums gemaakt, maar deze vroege diamantjes hebben voor mij altijd een speciale plaats behouden. Dat ze nu een een iets ruwere vorm beschikbaar zijn gekomen is een feestje waard. The postman always rings twice, gelukkig maar.
|
Huke Green: Rustic Poet
Arjan Post 1-11-2011
Huke Green is een singer songwriter van het platteland in Texas. Voor mij tot voor kort een onbekende naam. Enige research leert dat hij met Rustic Poet aan zijn vijfde release toe is. Na een release met de band Wayward Sons heeft hij als solo artiest naast een live bootleg en een studio bootleg nog een acoustische EP uitgebracht en dat maakt Rustic Poet als volledig studioalbum eigenlijk zijn solodebuut. Verder is hij onderdeel van een singer-songwriters collectief in Houston waartoe ook Samuel Barker, Jimmy Pizzitola, Nathan Taylor en Matt Harlan behoren. Waar hij met de Wayward Sons meer in het rootsrock/southernrock-straatje blijft is Rustic Poet een rauw en puur singer-songwriter album geworden dat ondanks het gebruik van een gehele band verbazingwekkend klein en kaal klinkt. Zijn gruizige en onvast klinkende stem doet denken aan collega's als Will Ridge, Ryan Bingham en Malcolm Holcombe. Ook muzikaal zijn dit namen waar je aan kan denken om Rustic Poet te kunnen plaatsen, hoewel je hem daar tegelijkertijd tekort mee doet.
Huke Green heeft met dit album een schitterende en verrassende Americana-plaat gemaakt. Nummers als Peggy en Bare Bones zijn observaties die Green, vanuit zijn huis uitkijkend op een four corner crossroad in het oude deel van zijn woonplaats Channelview, van een achtergrondverhaal voorziet. Hierbij zijn stem begeleidend met akoestische gitaar en aangevuld met een backing band bestaande uit bas, percussie, gitaar, harmonica en viool. Die begeleiding wordt hier overigens uiterst sober gehouden en daarmee ademt het album prettig, ondanks de beklemmende songs. Luister maar eens naar Downtrodden Prayer of Letter To A Son waarin een gevangene zijn zoon uitleg geeft over zijn daden. Het zijn rauw poëtische teksten die door de karaktervolle stembanden van Green aan zeggingskracht winnen, net zoals dit bij Sam Baker het geval is. Green legt in zijn teksten de nadruk op de zwarte en donkere kant van de mensheid en de natuur en geeft daarmee tevens uiting aan zijn eigen 'dark side'.
Met Rustic Poet heeft deze Texaanse troubadour een dijk van een folkroots-album op de markt die een veelbelovende toekomst biedt. Tevens kun je concluderen dat hij een zeer talentvol schrijver is die evenals de al eerder genoemde Sam Baker prachtige beeldteksten oproept en op eenzelfde niveau voordraagt en musiceert. Huke Green is - na Israel Nash Gripka in 2009 en Dylan LeBlanc in 2010 - voor mij de Americana-sensatie van 2011. Een album waar ik in de laatste maanden van het jaar en in de komende jaren nog volop van zal genieten.
http://www.hukegreen.net
http://hukegreen.bandcamp.com
|
Dan Mangan: Oh Fortune
Rein van den Berg 31-10-2011
Als muziekliefhebber probeer ik mijn smaak zo puur mogelijk te houden. Ieder keer weer opnieuw in the blind gaan werkt daarbij het beste voor mij. Het onderscheidend vermogen is daardoor een weinig moeizaam kunstje geworden. Qua aanbod hoor je mij niet klagen, terwijl ik het initiatief nog minder tracht te schuwen. In tegenstelling tot de vruchten die in mijn schoot geplaatst worden ervaar ik de zoektocht als een ultiem zoete bezigheid. Het soort plezier wat ik iedereen gun! Tegen Dan Mangan liep ik – overdrachtelijk – blind aan, had nog nimmer van de man gehoord. Los van iedere vorm van beïnvloeding vond deze plaat slechts bij toeval mijn oren. De eerste impuls die ik mocht ontvangen was het nummer Rows of Houses van dit album. Achteraf bekeken kwam de hoes van Mangan’s vorige plaat – Nice, Nice, Very Nice – me wel bekend voor, maar dat was ook alles. Het leuke van Oh Fortune vind ik de combinatie tussen oud en nieuw. Enerzijds hoor ik de traditionele liedjesschrijver, daarnaast geniet ik optimaal van de moderne productie waarin de plaat gegoten is. Een zeer eigentijds geheel dat dwingt tot luisteren. Indrukwekkende, bijna bombastische arrangementen, rauw bovendien.
Een nummer als Post-War Blues imponeert door zijn dynamische aanpak. Een nummer dat energie zuigt, en je werkelijk ademloos achterlaat. De akoestische rust van If I am Dead omarmt je vervolgens om verder de draad op te kunnen pakken van dit album. Oh Fortune is geen plaat om bij achterover te leunen – terwijl ik daar in principe niets op tegen heb. Oh Fortune is het visitekaartje van een man die popelt om zich te laten horen. Een expansievat bruisend van ideeën, die gedoseerd worden vrijgelaten. De spanning wordt gedurende de gehele plaat levend gehouden. Een rijke plaat, vol ambitie, maar vakkundig in balans. Magan is nog geen dertig, en is afkomstig van het Canadese British Columbia. Oh Fortune is zijn derde volwaardige album, maar zijn naam schijnt al gevestigd te zijn aldaar. Een aantal nummers van dit album werden origineel geschreven voor de film Stand by Me. Het lijkt wel of muziek, naarmate ik ouder word, steeds mooier wordt. De genietfactor is in ieder geval optimaal. En zo moet muziek toch zijn?
Homepage: http://www.danmanganmusic.com/website/
Video: http://www.youtube.com/watch?v=fzawkvDmERA
|
Shelby Lynne: Revelation Road
Martin Overheul 29-10-2011
Bijna halverwege Heaven’s Only Days Down The Road, een sleutelnummer op Shelby Lynne’s nieuwe album Revelation Road, zit een fragment dat mijn hart telkens opnieuw doet bloeden. Het is genoegzaam bekend dat Lynne en haar jongere zus Allison Moorer in hun kinderjaren moesten toezien hoe hun vader de hand aan zichzelf sloeg nadat hij hun moeder vermoord had. In het bewuste nummer zingt Lynne zo intens over die gebeurtenis dat het bijna fysiek pijn doet om ernaar te luisteren: “Look at my fate in the paper now / I want to put her back but I don’t know how / Heaven’s only days down the road / Nobody wants me down there no more / Look at what I did to make them hate me for / Oh yeah / Can’t blame the whiskey or my mammy’s ways / Two little girls are better off this way / Oh yeah.”
Het pleit – opnieuw – voor het talent en de oprechtheid van Shelby Lynne dat zij een dergelijk hartverscheurend thema niet degradeert tot het niveau van een goedkope smartlap. Liefde, leed en verlies, stuk voor stuk onderwerpen die niet zijn weg te denken uit het repertoire van Shelby Lynne, krijgen in de elf songs op Revelation Road een even gracieuze als prominente rol, zonder ook maar ergens de schaduw van dweperigheid, zoetsappigheid of stroperigheid neer te werpen die vaak over deze thematiek hangt in naar country overhellende muziek. Al moet daar meteen bij gezegd worden dat Lynne zich album na album verder verwijderd heeft van die muziekstijl en ze stilaan een eigen muzikaal universum heeft ontwikkeld, wat in het geval van dit album nog eens wordt verdiept door het feit dat ze hier alles zélf doet: zingen, instrumenten bespelen en produceren.
Door de jaren heen trok Lynne haar muzikale spoor door country, jazz, pop, rootsrock, een beetje blues en western swing en al die elementen zijn terug te vinden op Revelation Road. I’ll Hold Your Head, een nummer dat onverbloemd verwijst naar een problematisch verleden, is genuine Lynne, inclusief een songtekst die haar wel héél dicht op de huid zit: “It ain’t fair for a youngun’ all this hurtin’ / Battlin’ the blues and the beer and the bourbon / Come on Sissy let’s close the door / Don’t want to hear the noise no more.” In Lead Me Love en Toss It All Away komt de Shelby Lynne van Just A Little Lovin’, haar wonderschone hommage aan Dusty Springfield, om de hoek kijken en wordt eens te meer duidelijk wat voor een begenadigde songschrijfster ze eigenlijk is. Een constatering die zijn bevestiging vindt in het fraaie drieluik The Thief, I Want To Go Back (“I want to go back / So I can run away again”) en I Won’t Leave You, songs vol hemelse troost en tederheid op een ontroerende plaat die elk verdriet kan zalven en verzachten en elk geluk kan versterken.
|
Sarah Siskind: Novel
Hans Jansen 29-10-2011
Een aantal jaren geleden ontdekte ik de stem en muziek van Sarah Siskind. Sarah groeit op in North Carolina met een dieet van bluegrass, gospel, muziek uit het Appalachen gebergte en klassieke muziek. In 2001 debuteert zij met het album Covered, in tegenstelling tot wat de titel doet vermoeden exclusief bevolkt met eigen werk. Zangeres Jennifer Kimball en gitarist Bill Frisell zijn prominente gasten op dit zeer overtuigende debuut. Na 5 jaar duikt Siskind weer op met haar tweede album bestaande uit twee e.p.'s, Studio/ Living Room getiteld. Alison Krauss covert Simple Love waarna Bon Iver enkele jaren later live hetzelfde zal doen met Lovin's for Fools. In 2009 komt Siskind met het album Say It Louder op de proppen, hier valt alles perfect op zijn plaats met hulp van o.a. Julie Lee en Jerry Douglas.
Binnen dit tuintje is toentertijd discussie gevoerd omtrent de vocale vermogens van Sarah Siskind. Sommigen hoorden beperkingen, ze zou met enige regelmaat haar stembanden teveel “knijpen”. Als liefhebber van Siskinds werk ervoer ik deze discussie als het bekende glas dat als halfleeg dan wel als halfvol mag worden beschouwd. Sterker mijn beker loopt over wanneer Sarah haar stem ingetogen laat klinken en dan weer rauw en intens. Soms duwend, trekkend en sleurend aan de woorden, dan weer majestueus en soeverein. Ik hoor geen beperkingen, ik hoor een vrouw die gepassioneerd vechtend haar mogelijkheden en talent op het scherpst van de snede inzet.
Siskind vertrouwde in het recente verleden op de bijdragen van bovengenoemde illustere namen. Haar nieuwste album Novel getiteld is een vrijwel geheel solistische onderneming.
In de zomer van 2010 trok Sarah zich in de de bergen van Colorado terug voor een aantal optredens en workshops. In deze zelfverkozen eenzaamheid kwam het creatieve proces in een stroomversnelling terecht en resulteert hier in een album geinspireerd door “the human connection, solitude, grace, family and everything in between”. Eenmaal thuis legt Siskind het materiaal definitief vast waarbij zij gitaar, piano, bas, drums en percussie voor haar rekening neemt evenals de productie van het album. Er zijn incidentele vocale gastoptredens van Ari Hest, Julie Lee en Elizabeth Foster.
In vergelijking met het voorgaande album Say It Louder lijkt Sarah voor relatieve eenvoud te kiezen. De algehele opzet van het materiaal klinkt opener, ze stoeit met nieuwe structuren waarbij de nadruk nog meer op haar weergaloze stem komt te liggen. Siskind opent met het elegante en uitgewogen Yellow and Blue. Ze bezingt het verlangen zichzelf te willen verliezen in een nieuwe en vervreemdende wereld waarbij ze tevens de indruk wekt zich in een onthechte staat te bevinden. Het emotionele titelstuk Novel roept een brok in de keel op en beschrijft het verlangen de onbereikbare ander welhaast te kunnen lezen en begrijpen als een boek of een toneelstuk.
Menselijke relaties laten zich echter niet dwingen zoals het weerbarstige Take Me laat horen.
Gepassioneerd voegt Siskind de ander haar gevoelens toe in Feeling For You. Doe de deur dicht, ik laat je nooit meer gaan zingt ze met.. die stem.. die stem.
Een volgend hoogtepunt is de pianoballade Crying On A Plain waarbij de emoties opnieuw de vrije teugels krijgen. Dat je ook domweg teveel om de ander kan geven laat Nowhere In The Middle treffend horen met percussieve inzet van zoutvaatjes, rijst en ontbijtgranen. Dat Siskind over de nodige soul beschikt wist ik al, het zoekende en verbeten klinkende Rescue You laat het nogmaals horen evenals de als gospel gebrachte traditional Didn’t It Rain. Op de honderdste geboortedag van Mahalia Jackson stelt Siskind deze track voor liefhebbers gratis ter beschikking op haar site, een eerbetoon.
Met Novel brengt Sarah Siskind een volgend diep emotioneel en betekenisvol album.
Voor hen die open staan voor deze ware tour de force, een openbaring!
Website http://sarahsiskind.com/home.cfm
Releasedatum 27 september 2011 Red Request Records
|
Chelsea Crowell: Crystal City
Rein van den Berg 25-10-2011
“This man is so cold, I’m gonna freeze”: wijst er op dat Chelsea Crowell open staat voor warmte. Haar onderkoelde zang is anderzijds een teken dat deze jonge telg uit de Cash dynastie wel enige opschudding gewend is. Haar teksten behelzen dan gelukkig – voor ons, de voyeuristische luisteraars - primair persoonlijke aatekeningen, en het moet gezegd worden: ze is een boeiend en volwassen vertelster. Niet alleen haar tekstgebruik, ook het trage tempo van de muziek, en de bijbehorende lijzige zang herbergen een “aangenaam” onheilspellend sfeertje. Wanneer je dochter bent van Rodney Crowell en Rosanna Cash dan maakt je dat automatisch afstammeling van “Grandad” Johnny Cash. Flarden geplukt uit het tweedelige Baptized zouden kunnen duiden op een herinnering aan deze stijlicoon, maar behelzen volgens mijn inschatting eerder de “wijze” voorwaarden die Chelsea stelt aan de relatie tussen haar en d’r vriend. Stevig taalgebruik doorspekt met robuuste beeldspraak wordt niet geschuwd, afgaande op kreten als “Tango with the Devil” en “Slide down a volcano, before it could erupt”.
Het titelnummer ervaar ik als het prijsstuk van dit album, een soort duistere roadmovie. De spanning wordt behalve door Chelsea’s verhalende zang gemaakt door het rauwe geluid van een elektrische gitaar, en een cowboy fluit die herinneringen oproept aan de filmmuziek van Once Upon a Time in the West. Ook jeugdherinneringen van een lastige puber worden opgetekend in Memories of You. Haar debuut uit 2009 is niet te versmaden, en dit nieuwe album doet daar al niet voor onder. Crystal City is het reisverslag van een jonge vrouw door een wereld die deels fantasierijk is en deels leunt op een rauw soort realisme. Een glinsterend geheel, kostbaar, maar o zo breekbaar. Qua stijl lijkt ze amper op haar ouders, terwijl tegelijkertijd de appel niet ver van de boom rolt. Alle componenten zijn tenslotte aanwezig waardoor ik adviseer om deze dame aandachtig te volgen. Volgens mij een wispelturig ding dat zich moeilijk laat sturen. In oktober speelt ze in Ierland, Frankrijk en Groot Brittannië ….. helaas stond Nederland niet op de agenda. ’t Zou mij plezieren wanneer daar in de toekomst verandering in komt, want op dergelijk uniek DNA moeten we zeer zuinig zijn.
Homepage: http://www.chelseajanecrowell.com/cjc/Home.html
|
Various Artists: Dark River – Songs from the Civil War Era
Rein van den Berg 22-10-2011
Eerlijk gezegd ken ik de Amerikaanse geschiedenis slechts oppervlakkig. Mogelijk dat gefantaseerde feiten zelfs overheersen boven de daadwerkelijke geschiedkundige. ’t Is wel een thema dat bij velen tot de verbeelding spreekt, en ongetwijfeld zijn er ook uiterst geschikte boeken die de Amerikaanse Burgeroorlog verantwoord beschrijven. Vooralsnog beperk ik mij tot deze gecompileerde CD. Het project Dark River geeft interpretaties van musici uit de omgeving van Austin en bevat uitsluitend muziek uit “The Civil War Era.” De Dark River waaraan gerefereerd wordt betreft overigens de rivier Mississippi en haar Delta vertakkingen. Er is enorm gevochten in die periode, die in mei 1863 resulteerde in een bloederig treffen te Vicksburg. Het is hier waar de legers van Ulysses Grant en de Zuidelijke rebellen van Tennessee, onder leiding van John Pemberton, elkaar troffen. Met recht een slagveld. Strategisch opgeblazen bruggen en onschadelijk gemaakte rivierboten beletten velen een veilige thuishaven te bereiken. Velen lieten tijdens die gevechten het leven, werden gevangen genomen, of verdronken in the Big Black. Een donkere periode waarvan deze liedjes de herinnering in leven houden.
Voor mij spant het hier vertolkte Johnny Has Gone for a Soldier - origineel Iers (Siuil A Run) – de kroon. Wat een aangrijpend gezongen nummer over de prijs van oorlog. Op dit album voortreffelijk weemoedig gezongen door Erin Ivey. Ze wordt hierin op gitaar bijgestaan door Chuck Pinnell. Wat een krachtig nummer zeg! Niets ten nadele van het overige repertoire op deze uitstekende verzamelaar overigens: uitsluitend hoogtepunten lijken het wel. Zelfs de uitvoering van een doodgedraaide klassieker als Swing Low valt hier nog te verteren, maar is wat mij betreft wel de minste alhier. Bekende namen als Drew Nelson, Jimmy Lafave, Suzi Stern en Eliza Gilkyson doen wat wij van hen gewend zijn. Zelfs de op dit album tweemaal voorkomende Slaid Cleaves, bij wie ik normaliter een voorbehoud ondervind, valt slechts als groots te benoemen met schitterende vertolkingen van The Streets of Laredo en vooral She Moved Through the Fair. Dark River is een project om even bij stil te staan, en daarbij een extra focus te leggen op de teksten – want die liegen er tenslotte niet om. Er ligt behalve leed, ook een mate van romantiek verscholen inzake die barre periode van 150 jaar geleden.
Homepage: http://www.facebook.com/BlueCornMusic?sk=app_195611817141370
|
Tim Grimm: Wilderness Songs & Bad Man Ballads
Rein van den Berg 22-10-2011
Ondanks de voortdurende stroom aan mooie cds waaraan ik aandacht wil schenken, blijven door tijdgebrek veel titels onbenoemd. “Had willen schenken” is derhalve jammer genoeg scherper verwoord. Niet omdat ze het niet waard zijn, maar het proces van beluisteren en indruk(ken) vastleggen consumeert nu eenmaal tijd en aandacht. Bovendien wil ik mijn plezier in muziek niet vergallen door als een Razende Roeland overal slechts van te proeven. Luistertijd is het laatste halve jaar gelukkig aanzienlijk toegenomen. Naast de albums die onbesproken blijven vond ik het wel degelijk nodig Wilderness Songs van Tim Grimm te benoemen. Mij een raadsel waarom de plaat met de Tom Paxton covers hier meer aandacht kreeg. Mogelijk omdat dat een compleet nieuw project was, en deze Wilderness Songs vrijage heeft met ander werk van Grimm elders. Fruit, Zenas Carter en Frostbite on the Soul (heerlijk wat een titel!) stonden namelijk ook al op een project dat hij deed met Krista Detor, Carrie Newcomer, Tom Roznowski en Michael White genaamd: Wilderness Plots. Law & Order stond tevens op een plaat van The White Lightning Boys, die eveneens dit jaar verscheen. Bovendien bevat dit album twee songs die al stonden op het bij Corazong Records verschenen Holding Up the World. Blijven in principe slechts 4 nagelnieuwe nummers over, wanneer je bovengenoemde werkjes reeds hebt.
Tim heeft in onze land een uitstekende reputatie opgebouwd. Terecht overigens, een graag geziene gast bovendien op de podia. In Amerika zelf timmert Grimm nog steeds behoorlijk aan de weg. Zijn traditionele muziek vindt daar vanwege Wilderness Plots een groeiend aantal liefhebbers. De roep naar de nabij Amerikaanse geschiedenis vind steeds meer weerklank, en binnen dat plaatje vindt Grimm’s muziek zijn weg gestadig. Grimm geeft zijn voorstellingen in koffiehuizen en theatertjes, en bezoekt door geheel Amerika festivals. Hij speelt af en toe een rolletje op toneel en in een film of serie. Tussen de bedrijven door valt hij terug op zijn boerderij, waar hij woont met zijn vrouw, in de nabijheid van zijn geboortegrond.
Dit album is een weerslag van de geschiedenis rondom The Ohio River Valley. De verhalende historicus Scott Russell Sanders heeft e.e.a. in kaart gebracht, en Tim Grimm gevraagd hiervoor muziek te leveren. Door zijn fascinatie voor deze periode van de Amerikaanse geschiedenis – “Het Wilde Westen” – schreef Grimm nog een aantal hartvochtige nummers. Geen liedjes over revolverhelden, maar over mensen die werden gedreven door honger. Honger voor land, geld, macht, redding, vrijheid of roem. Vreemdsoortige karakters bevolken zijn muziek, maar zo levensecht dat je voorstellingsvermogen wordt aangesproken. Winderness Songs and Bad Man Ballads is een opmerkelijk plaatje. Eén van Grimm’s meest rootsy. Je kunt wachten tot Grimm hem meeneemt op zijn volgende bezoek aan ons land, of hem bestellen via CDbaby.
Homepage: http://www.timgrimm.com
|
Brigitte DeMeyer: Rose of Jericho
Martin Overheul 19-10-2011
Teken een denkbeeldige gelijkzijdige driehoek, zet bij de punten respectievelijk de naam van Bonnie Raitt, Sheryl Crowe en Shelby Lynne en schrijf dan in het brandpunt van dat vlak de naam van Brigitte DeMeyer. Een scherpere afbakening van waar de muziek van die laatste gesitueerd kan worden, kun je naar mijn idee niet maken. Hoewel die indeling op zich mogelijk toch weer te beperkt is om Rose Of Jericho, Demeyers fonkelnieuwe vijfde cd, muzikaal te plaatsen.
Twee jaar geleden bevestigde Brigitte DeMeyer al het goede dat ze op Something After All (2006) had laten horen met The Red River Flower, een subliem plaatje dat een smakelijke cocktail bood van rootsmuziek en folk. Op Rose Of Jericho verlegt deze dochter van Belgisch-Duitse immigranten de focus heel geraffineerd maar onmiskenbaar naar gospel, New Orleans-jazz en countryblues. Een opzet die even logisch als avontuurlijk is.
Ruikt het openingsduo One Wish en This Fix I’m In nog naar pure country, vanaf de vaudeville jazz in Alright A-Comin’ slaat DeMeyer schijnbaar een zijstraat in die op dit album een hoofdstraat blijkt te zijn. De countryblues van Miss Johnson’s Honey, met Will Kimbrough in een even ingetogen als opvallende hoofdrol, is een overduidelijke richtingaanwijzer voor wat volgt. In Amen Said The Deacon en Jeremiah’s Blues staan blues en gospel zij aan zij in de modderige klei van een vocale Mississippi, terwijl een excellerende DeMeyer, gedreven door een uitstekend stel begeleiders (o.a. Mike Farris, Sam Bush, Brady Blade) in het fantastische Sip Molasses nog een stapje verder in die rivier lijkt te gaan. Niet om welke reële of denkbeeldige zonde dan ook weg te wassen, maar om een kanjer van een song te schrijven. En omdat die plaats haar daar blijkbaar bevalt, gooit ze er met titeltrack Rose Of Jericho en Say Big Poppa (op maat gesneden van Maria Muldaur!) nog wat gospel en New Orleans jazz tegen aan.
Rose Of Jericho eindigt met twee van de mooiste nummers uit het toch al indrukwekkende oeuvre van Brigitte DeMeyer. In het bloedmooie West Side Mama, South Side Me (met de slidegitaar van Kimbrough als een soort tweede stem) zingt ze over de eeuwige strijd tussen gezin en muziek. Waarna de soulvolle a capella gezongen gospelsong Somebody, Please het album meer dan waardig afsluit. Brigitte DeMeyer heeft haar gospelstem gevonden en iedereen mag haar horen.
www.brigittedemeyer.com
www.myspace.com/brigittedemeyer
|
Steve Tilston: The Reckoning
Rein van den Berg 14-10-2011
Goede muziek kun je niet alleen horen, die kun je ook voelen. Goede muziek laat je niet onberoerd. Een bescheiden interactie kan voldoende zijn, terwijl ook een combinatie aan factoren de click kan maken. Een paar dagen geleden zat ik in het operahuis van Budapest te genieten van een werkelijk schitterende slotact van Puccini’s Tosca. Niet alleen de voortreffelijke ambiance wist me in te pakken. Ook het dertigkoppige geluid uit de orkestbak speelde daarbij een niet ondergeschikte rol. Men wist de tenor en zijn mede/tegenspelers naar ongekende hoogten te stuwen. Kippenvel! Ben ook al jaren een groot liefhebber van Engelse folk, en binnen dat segment moet Steve Tilston gerubriceerd worden. Tilston heeft een gerespecteerd oeuvre in zijn kielzog, en voegt daar na een bescheiden pauze dit nieuwe album aan toe. Heb al een redelijk stapeltje Tilston’s thuis liggen en heb op basis daarvan voor mijzelf geconcludeerd dat The Reckoning weleens zijn meest voortreffelijke plaat kon zijn – tot dusverre.
Zijn Of Moor & Mega, samen met Maggie Boyle, is – tot mijn verbazing - alweer bijna 20 jaar oud. Speelde die CD onlangs, en ervoer het geluid, ondanks het traditionele genre, toch enigszins gedateerd. De techniek is slechts 1 factor. Gelukkig niet bepalend, want op een dergelijk moment komt de daadwerkelijke kwaliteit van de compositie juist sterker naar voren. Gelukkig is Tilston sindsdien niet bij de pakken gaan zitten. Gebleven zonder enige twijfel is Steve’s meesterlijke gitaarspel. Hij is meer dan uitsluitend een picker, hij laat zijn instrument regelmatig subtiel spreken. Zijn gevoelige spel, zijn techniek, kenmerkt zich doordat hij zijn instrument als het ware fysiek verwendt. Het geluid van The Reckoning is dan ook in alle opzichten een lust voor het oor. De helft van de nummers vertolkt hij solo, en bij de overige wordt het geheel versterkt door een vakkundig ensemble. The Reckoning met zijn basale akoestische instrumentatie klinkt zeer eigentijds. Tilston’s zang en spel staan als vanouds centraal, echter voor het overige wordt dit album zeer mooi ingekleurd door dubbele bas, viool, een opmerkelijke rol voor Gus Taylor met zijn djembe, en ook “The Richard Curran Strings” voegen uitsluitend toe. The Reckoning bevat – mijns inziens – geen zwakke broeders, terwijl het 8:30 minuten lange Memory Lane van een ongekende schoonheid is. Jarenlang bleef Tilston’s debuutplaat An Acoustic Confusion mijn absolute favoriet. Had het niet meer verwacht, maar het zou me niet verwonderen wanneer The Reckoning dat album van zijn ereplaats weet te stoten. Dat betekent dan tevens dat Tilston zonder twijfel met dit album in mijn eindejaarslijst gaat verschijnen.
Tilston roept met deze plaat menigmaal natuurelementen op, en wanneer je je oor goed te luister legt dan hoor je de werkelijke kracht van dit album. Tilston maakt wat mij betreft een statement waarvan je amper durfde te bevroeden dat hij hem (nog) in huis had. Een leeuw die subtiel zijn pracht blootgeeft, en dat allemaal zonder een druppel te verspillen. Luister eens hoe hij het instrumentale Fruit Fly tot leven wekt. Een proeve van bekwaamheid die zijn weerga niet kent.
Homepage: http://www.stevetilston.com/
|
Robert Sarazin Blake with John McSherry: The Belfast Sessions
Rein van den Berg 14-10-2011
Omstreeks mei of juni van dit jaar werd mij Robert Sarazin Blake onder de aandacht gebracht. Iemand was dusdanig onder de indruk van deze artiest, dat hij zijn enthousiasme graag met mij wilde delen. (Waarvoor nog mijn hartelijke dank!) Bij eerste beluistering van A Long Series of Memorable Nights Forgotten: The Belfast Sessions - zoals de volledige titel van dit album luidt - viel het kwartje niet. Die volgde geruime tijd later, en idioot genoeg bovendien als een soort openbaring. ’s Ochtends onderweg naar mijn werk kwam deze Blake integraal binnenrollen via mijn Ipod. De zeggingskracht was van een dusdanige aard dat ik me niet kon voorstellen dat dit werkje mij niet meteen had gepakt. Sfeermuziek tot en met, waarbij de artiest zich bedient van de meest basale elementen. Tekstueel bepalen weeromstandigheden en seizoenswisselingen met aan de verbeelding sprekende sfeerplaatjes.
Twee albums verschenen dit jaar van Robert Sarazin Blake, niet zijn eerste overigens. Wel twee totaal verschillende. The Belfast Sessions ervaar ik als een meer serieus album, en bovendien met meer coherente songs. Vastomlijnd werk met een duidelijke kop en kont. Daarnaast drukken de eveneens aanwezige Ierse artiesten een aangenaam melodieus stempel op deze plaat. Geheel terecht wordt John McSherry’s naam mede genoemd op de cover van deze plaat. Toch, ondanks het karakteristieke van de traditionele instrumenten, blijft het in de eerste plaats een Blake plaat. Zijn hang naar weemoed, met bijhorende zang, bepalen in eerste plaats de stemming van dit album, waarbij de Uilleann Pipes (In tegenstelling tot de Schotse doedelzak wordt de lucht niet met de mond geblazen, maar liggend op de schoot met de ellebogen gepompt) en Bodhran als ultieme versiering dienen. Dit album werd live opgenomen tijdens een tweetal sessies. Slechts 8 nummers staan op dit album. Op het laatste nummer na – Lord Saltoun and Auchanachie - , een traditional, zijn alle nummers van Blake zelf, waarvan een aantal uit het begin van zijn loopbaan. De muziek is sfeervol als gehuld in een herfstig landschap. Regenval, mistbanken en sneeuwdekens kleuren dit album.
In tegenstelling tot Blake’s Put It All Down in a Letter ervaar ik het “Ierse” product als veel minder vrijblijvend. De nummers op dat andere album zijn overwegend gegoten in – wat Springsteen wel eens genoemd heeft – een voetgangerstempo. Verhalend, soms bij het improviserende af, humoristisch (spitsvondig, absurdistisch, ook soms flauw) en bij momenten verrassend, maar als album in zijn geheel minder ingetogen. Niet dat Put It All Down in a Letter een tegenvallend album is maar de impact is stukken minder. Zeker in tegenstelling tot the Belfast Sessions, want die blijft regelmatig mijn speakers vinden. Diezelfde behoefte is minder bij dat andere album. I didn’t Call You from Philadelphia duurt maar liefst ruim 16 minuten, en Magic on Baltimore Ave bijna 13. Onbenulligheden worden door Robert Blake op dit album van een nieuwe dimensie voorzien. Ze zullen echter een hele zit zijn voor de gemiddelde luisteraar. Voor een kennismaking met deze artiest raad ik dan ook deze Belfast Sessions aan. Een plaat die niet alleen blijft boeien, maar tevens ver boven het gemiddelde uitsteekt wat zich zoal laat aanhoren in dit genre.
Homepage:http://sarazinblake.com/
|
Catie Curtis: Stretched Limousine On Fire
Hans Jansen 12-10-2011
Een heuse folk revival overspoelde het noordoosten van Noord Amerika in de jaren negentig. Lieden als Shawn Colvin, John Gorka, Lucy Kaplansky, Dar Williams en Richard Shindell bouwden dankbaar voort op de fundamenten gelegd door de successen van o.a. Suzanne Vega en Tracy Chapman. Blijkbaar was er weer een grote behoefte aan echte emoties en echte liedjes tussen de alomtegenwoordige stadionacts.
Na in 1989 eerst een cassette met eigen werk het licht te hebben laten zien debuteert de uit Boston afkomstige Catie Curtis twee jaar later met From Years To Hours. Intelligente folk-pop waarin haar warme en duidelijk articulerende stem de toon aangeeft. Catie zingt hierbij veelal gracieus om de woorden heen, waardoor zij welhaast een tweede melodie tevoorschijn tovert.
Haar catalogus bestaat uit een wonderlijk samenhangend en stabiel oeuvre, waarbij experimenten, anders dan bij bijvoorbeeld collega Kris Delmhorst, doorgaans geschuwd worden. Curtis overtreft zichzelf met het in 1999 verschijnende A Crash Course In Roses. Hier rijgen hoogtepunten zich moeiteloos aan elkaar in een glasheldere productie van Ben Wisch (Jonatha Brooke, Mark Cohn, David Wilcox). In Nederland scoort Catie zelfs een kleine hit met What’s The Matter waarna de aandacht van het grote publiek verslapt. De afgelopen jaren maakt Curtis albums waarop de popmuziek naar mijn smaak net iets teveel over de folk domineert. Elk album kent echter steevast meerdere songs die aankoop rechtvaardigen. In 2009 vat zij haar oeuvre samen op het geheel akoestische Hello Stranger met gasten Darrell Scott en Mary Gauthier.
Een nieuwe fase lijkt nu aangebroken te zijn met Catie’s nieuwste album Stretched Limousine On Fire. In een warme productie van Lorne Entress (Lori McKenna, Mark Erelli, Alastair Moock) spreekt Curtis tot de luisteraar. Haar band bestaat uit o.a. bassiste Jennifer Condos en drummer Jay Bellerose afkomstig uit Ray Lamontagne’s Pariah Dogs en de cd kent verder mooi ingetogen (slide) gitaarspel van Thomas Juliano, toetsen van Kate Wolf en achtergrondvocalen van Lisa Loeb.
Sinds enkele jaren is Catie getrouwd en moeder van twee kinderen. Het (familie)leven en de liefde bezingt deze zichtbaar goed in haar vel stekende psychologe hier met veel inlevingsgevoel voorbeeldig. Voor de luisteraar die hierbij zijn wenkbrauwen denkt te moeten fronsen zij gezegd dat het “same sex marriage” in de V.S. weliswaar wettelijk vastgelegd is, maar tegelijkertijd moeizame acceptatie kent. In die zin versta ik haar teksten ook als een viering van deze recentelijk verworven positie.
Stretched Limousine On Fire opent met het koesteren van jeugdherinneringen en familiebanden in Let It Last, waarbij Mary Chapin Carpenter de achtergrondvocalen verzorgt. Het van fijnzinnige gitaaraccenten voorziene Highway de Sol bezweert duiveltjes. Duiveltjes die vaak op onverwachte momenten in het achterhoofd opduiken en ons doen twijfelen aan de schijnbare zekerheid van de liefde. In pianoballade Riverwide bezingt Curtis de overgang van adolescent naar volwassene. Wat brengt het leven mij wanneer ik eenmaal die rivier oversteek? Hoogtepunt vormt wat mij betreft het verdrietige en machteloze After Hours.
Verwondering over het vinden van de ander en het bezegelen van de liefde door het huwelijk is het onderwerp van I Do. De twijfel knaagt echter aan diezelfde verwondering in Wedding Band, garanties bestaan niet in leven en liefde. Melodieën “warm as whiskey” serveert Catie in het up-tempo Shadowbird en titelnummer Stretched Limousine On Fire om even later los te barsten in het heerlijk naïeve Another Day. Pluk de dag is het credo in een song die klinkt als de vroege Talking Heads. Curtis sluit af met Hearts and Seeds, “All our tears fall like rain on seeds”. De mens en zijn eigen sterfelijkheid. Zet geen bloemen op mijn graf. Ik ben daar niet, maar ooit zullen we elkaar weer ontmoeten. Voor een romanticus als ik balsem op de ziel die het leven draaglijk maakt.
Met Stretched Limousine On Fire keert Catie Curtis terug naar de vorm en inhoud van haar allerbeste werk en dit album is dan ook te beschouwen als een hoogtepunt in haar carrière.
Homepage http://catiecurtis.com/
Releasedatum: 3 october 2011, Compass Records.
|
Martin Simpson: Purpose + Grace
Hans Jansen en John Smits 11-10-2011
Terwijl voor één van ons (Hans) de in september 2011 verschenen cd ‘Purpose + Grace’ de eerste kennismaking met het werk van Martin Simpson was, had de ander al twee dozijn platen van deze meesterlijke Engelse gitarist in de kast staan. Dat verschil in achtergrond leidt onvermijdelijk tot een verschil in benadering en appreciatie van het gebodene, maar heel snel bleek dat deze meerstemmige review toch tot een opvallend eensgezinde lofzang zou leiden. Laten we het er op houden dat de oorzaak niet ligt in het feit dat beiden een onberispelijke smaak hebben waar het de Britse folk betreft, want dat zou weer tot ellenlange discussies onder dit artikel leiden, maar gewoon in het feit dat Simpson met deze plaat een wonderschoon meesterwerkje heeft afgeleverd dat iedereen met oren aan zijn hoofd in opperste vervoering weet te brengen.
Martin Simpson kreeg enige bekendheid tegen het eind van de jaren zeventig door zijn optredens met folk-bands als Steeleye Span en de Albion Band, maar vooral door zijn samenwerking met June Tabor, die toen zelf aan het begin van een imposante carrière stond. Zijn fraaie gitaarwerk oogstte veel lof, maar zijn solocarrière kwam aanvankelijk moeilijk van de grond. In de jaren negentig kwam daar verandering in door een serie uitstekende solo-platen, waaronder A Closer Walk With Thee, Smoke & Mirrors en een sublieme live-cd.
Zijn capaciteiten als gitarist zijn onmiskenbaar, waarbij zijn vermogen om die technische kwaliteiten volledig ten dienste van het ten uitvoer gebrachte lied te stellen hem tot een ideale begeleider maken. Mede door zijn verhuizing naar de Verenigde Staten in de jaren tachtig verbreedt hij zijn muzikale gezichtsveld, een ontwikkeling die duidelijk geïllustreerd wordt door Cool & Unusual uit 1997. Tegelijk met die muzikale verbreding ontwikkelt hij zijn capaciteiten als liedjesschrijver steeds verder en dat leidt in het nieuwe millennium tot een reeks bijzonder fraaie albums, culminerend in Prodigal Son in 2007.
In het licht van de geschetste ontwikkeling zou je Purpose + Grace als een stapje terug kunnen zien. Het album bevat slechts twee Simpson originals en het zijn geen showcases voor zijn immer groeiend songschrijverschap. Wat niet wil zeggen dat de songs niet de moeite waard zijn, want Banjo Bill is ‘mountain music from Kentucky’ in optima forma en Don’t Put Your Banjo In the Shed, Mr. Waterson, een compact instrumentaaltje met alleen banjo, is een olijke knipoog naar de tijdens de afronding van dit Simpson-project helaas overleden Britse folk-legende Mike Waterson.
Voor dit project stelde Simpson zichzelf de vraag: “Met wie werkte ik de afgelopen jaren het allerliefste en beste samen?” en het resultaat is een rijk geschakeerde ode aan zijn roots. Een stoet aan hedendaagse Britse folkartiesten van naam en faam trekt aan de luisteraar voorbij. De aftrap in de vorm van de gedreven gebrachte traditional The Sheffield Apprentice maakt de intentie meteen duidelijk: naast de banjo van Martin horen we de fiddle van Jon Boden, de accordeon van Andy Cutting en ook de gitaar van Richard Thompson. Meester-accordeonist Cutting is bijna alomtegenwoordig op de plaat en plaatst in menig lied prachtige subtiele accenten. Thompson biedt in een drietal songs fraai tegenspel aan de andere meestergitarist en zijn opmerking in een interview naar aanleiding van dit album dat Simpson’s gitaarspel met het jaar nòg beter wordt mag als een compliment van jewelste gezien worden.
Na deze opener neemt Simpson gas terug met de solo gebrachte traditional/gitaarballade Bold General Wolfe. Beide songs vormen de kamerbrede rode loper naar één van de absolute hoogtepunten, Brothers Under The Bridge. Dit is Springsteens verhaal van de ervaringen van Vietnam-veteranen in de jaren zeventig in de Amerikaanse samenleving. Simpson deed verschillende pogingen deze zelf onder woorden te brengen, maar realiseerde zich dat Bruce Springsteen dit reeds in deze als novelle vermomde song vastlegde. Wie de song ook van Springsteen zelf wil horen: het is het laatste nummer van de box-set Tracks (met dank aan Ed).
Nog meer bewijs dat Simpson al lang niet meer beschouwd mag worden als ‘nog zo’n Britse folkie’ volgt. We zakken af naar New Orleans om verrast te worden met cajun, zydeco en rumba in het uitbundige en aanstekelijke Little Liza Jane. De prachtige ballades Brother Can You Spare Me A Dime en Jamie Foyers volgen, waarbij Simpson in die laatstgenoemde song de vocalen van de markante Dick Gaughan met graagte naast zich duldt. Het doet meteen verlangen naar nieuw werk van deze Schotse bard, wiens jongste cd alweer vijf jaar oud is.
Ruim anderhalve minuut schitterende slidegitaar opent de traditional In The Pines, alsof Ry Cooder het bal opent op deze heel bijzondere vertolking van deze klassieker. Verder eist Andy Cutting een hoofdrol op met zijn accordeonspel. Ook Strange Affair, één van de meest memorabele songs van Richard Thompson, vindt een plek op Purpose + Grace en wordt gedragen door de intense vocalen van June Tabor. Beiden brachten dit al eens op A Cut Above, een album uit 1980 waarbij June Tabor de credits deelde met Martin Simpson. Hier heeft de tijd hoorbaar zijn werk gedaan. Tabor’s stem klinkt doorleefd en van een fraaie laag patina voorzien op haar koperen stem, waardoor deze uitvoering op gelijke hoogte mag vertoeven als het origineel.
Naast de grande dame van de Britse folk schittert ook een nieuwe naam in de Britse folk, die van Fay Hield, op het album. Zij laat in het bijzonder sfeervolle Bad Girl’s Lament horen dat zij niet voor niets de eerste artiest in tien jaren was die voor het Topic label een contract binnen mocht slepen. Wat een voortreffelijk gebrachte jammerklacht!
Afsluiter Lakes Of Ponchertrain brengt ons nogmaals diep in het zuiden van Noord-Amerika. Will Pound bespeelt zijn harmonica alsof de duvel en zijn oude moer hem op de hielen zitten en B.J. Cole zorgt met zijn pedal steel, zoals op meerdere nummers van dit album, voor een fraaie extra laag.
We hebben de laatste tijd enkele prachtige Britse folk-projecten mogen beluisteren, zoals The Darwin Song Project van 2010 en The Cecil Sharpe Project van dit jaar. In zekere zin mag je Purpose + Grace ook als een dergelijk project zien en minder als een regulier Martin Simpson-album. Een ideale samenvatting van Simpson’s niet geringe kunnen, dat tegelijkertijd de balans van de afgelopen 35 jaar op lijkt te maken. Een echte topplaat die werkelijk alles heeft: afwisselend, vrolijk, ontroerend, uitbundig, feestelijk, ingetogen. Kippenvel dus. En dan maakt het niet uit of je met deze plaat Simpson leert kennen of dat het een nieuwe parel in je (bijna) complete Simpson-collectie is.
|
Jackie Oates: Saturnine
Hans Jansen 8-10-2011
Voormalig lid van Rachel Unthank and the Winterset Jackie Oates presenteert met Saturnine haar vierde album. Oates, folkdiva en fiddle speelster van formaat, mag wat mij betreft als één van de pijlers van de huidige Britse folkscene worden beschouwd. Haar voorlaatste album Hyperboreans stamt alweer uit 2009. Wegens een iets te geëxalteerde voordracht liet ik dit album toen links liggen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat mijn oren toendertijd ook nog onvoldoende naar Britse folk stonden. Een gebrek dat ik inmiddels meer dan goed heb gemaakt.
Haar betekenisvolle rol op het schitterende Cecil Sharp Project van september j.l. zette mij definitief op het spoor van Oates. De zeer persoonlijke vocale voordracht en haar melancholieke vioolspel kruipt onder de huid om vervolgens niet meer los te laten. Saturnus wordt in de astrologie ook wel als symbool van begrenzing en de angst om die te overschrijden gezien. Oates liet zich hierdoor inspireren: verandering is van alle tijden en biedt naast bedreigingen ook vooral kansen is haar visie.
Bij het tot stand komen van Saturnine in de wintermaanden van 2010 en 2011 tradt Oates veelvuldig op in Engelse pubs in Devon en Cornwall. Hier werd het gekozen materiaal verder doorleefd en zich eigen gemaakt in zogenaamde singarounds: met collega’s en vrienden in ongedwongen sfeer musiceren. Bij nadere beluistering van Saturnine valt meteen de overheersende stemmige en ingetogen sfeer op. Hier is overduidelijk gekozen voor een ander contemplatief en organisch geluid. Traditionele ballades, niet zelden gesitueerd in Cornwall, vormen de hoofdmoot.
Saturnine opent met de stemmige pianoballade The Sweet Nightingale waarna Oates verderop met Poor Murdered Woman laat horen dat dit slechts een voorproefje van haar kunnen was. Zogenaamde hand bells verhogen de serene sfeer, veel Britser dan hier kan Britse folk niet klinken. Visnetten breiende dames worden bezongen in traditional The Trees They Are So High vergezeld van Cornish spoken word waardoor mijn gedachten onwillekeurig uitgaan naar June Tabors laatste album Ashore waar zij een vergelijkbaar resultaat bereikte. Het piano gedreven kwartet wordt afgesloten door IOU geschreven door de mij volstrekt onbekende singer songwriter Paul Metsers afkomstig uit Nieuw Zeeland. Accordeon en cello maken het geheel compleet.
Voor uitbundigheid en vrolijkheid is ruimte in het aanstekelijke Marrow Bones Oates hier vergezeld door het vocale gezelschap The Claque. De Finse tango Fin(n)ish(ish) nodigt uit tot de dansvloer, viola en accordeon zetten de toon. Dat het leven van de noeste arbeider niet altijd over rozen ging is de boodschap van Four Pence A Day waarbij The Claque nogmaals zijn kunsten vertoont. Verder kent Saturnine ingetogen ballades als Scarborough’s Fair Town en de dynamische murder ballad Young Johnson. Speciale vermelding verdient Brigg Fair, stormachtige verliefdheid en ach... die prachtige hand bells! Stem, viool en accordeon sluiten Saturnine af in Fortune Turns The Wheel. Na de bekende zeven vette jaren zeven magere jaren? Bedreigingen en… kansen!
Met Saturnine levert Jackie Oates zelfverzekerd en vakkundig haar meest originele en complete album tot nu toe af. Traditionele muziek briljant en verrassend uitgevoerd.
Homepage: http://www.jackieoates.co.uk/
Releasedatum, 12 september 2011, ECC Records.
|
Tom Russell: Mesabi
Rein van den Berg 8-10-2011
Ik ben een liefhebber van karakteristiek stemgeluid. Niet dat Tom Russell’s stem karakter ontbeert, echter zijn stem valt niet in de categorie die mij uitzonderlijk aanspreekt. Het heeft dan ook beslist lang geduurd alvorens ik Tom Russell’s werk op waarde wist te schatten. Hij behoort evenmin tot de groep artiesten waarbij ik sta te trappelen om zijn nieuwste album te bezitten. Ik ervaar zijn oeuvre als wisselend, en ben daardoor enigszins huiverig. Zijn integriteit staat daarbij overigens allerminst ter discussie. Dat kan ook niet gezien de sporen die hij achter heeft gelaten. Russell kan je gerust kenmerken als een van de smaakmakers van de hedendaagse Americana. Hij heeft dit genre wat mij betreft mede gevormd. Er is veel gebeurt sinds de aanvang van zijn carrière. Ik kan me beelden herinneren hoe deze “Midnight Cowboy” enigszins schuw aanschoof tijdens een Andy Warhol feestje. (En waarom ook niet?)
Ten aanzien van zijn nieuwste plaat, Mesabi, zal ik duidelijk zijn. Daar is geen enkel voorbehoud zoals ik dat jaren geleden wel had met zijn debuut Heart on a Sleeve. Mesabi ervaar ik als één van zijn meest complete albums. Gevarieerd, met diepgang, maar voornamelijk spreekt de aanwezigheid van ’s mans “Roots” mij opnieuw enorm aan. Diezelfde Roots kwamen weliswaar ook op Heart on a Sleeve naar voren, echter het toenmalige cowboy gehalte viel me indertijd zwaar op de maag. Ter compensatie bevatte dit album schitterend vocaal werk van Shawn Colvin. Vooral het duet One & One blijft van alle tijd. Tom Russell gaat volstrekt zijn eigen weg, en geeft vorm aan zijn muziek zoals hem dat goeddunkt. De titelsong grijpt bij het openen van deze plaat meteen de aandacht. Kleine associatie met Van Morrison kan ik daarbij niet onderdrukken, evenals dat ik tijdens het beluisteren een paar keer aan Tom Pacheco moest denken. Het nummer When the Legends Die is wonderschoon. Een luie zwijmelbeat vormgegeven in subtiel gedempte blazers. Een zoet melancholisch geheel doorspekt met jeugdherinneringen. Een uitermate sterk gecombineerde opening die gegarandeerd de aandacht pakt, en hem daarna niet meer los laat. Persoonlijke herinneringen en referenties aan de Amerikaanse geschiedenis bepalen grotendeels dit album. Ook qua toegepaste muziekstijl grijpt Russell regelmatig terug. Op het vaudevilleachtige The Lonesome Death of Ukulele Ike zie je de tapdansschoenen onwillekeurig schuifelen op de achtergrond. Vooral wanneer muziek met Mexicaans sentiment op de voorgrond treedt ben ik volledig verkocht (zoals in And God Created Border Towns). In Sterling Hayden wordt zelfs aan Amsterdam gerefereerd. Nooit verkeerd wat mij betreft. Dylan’s A Hard Rain’s A-Gonna Fall ervaar ik echter niet als een surplus op deze plaat, en daar brengt zelfs de aanwezigheid van Mevrouw Lucinda Williams en de bandleden van Calexico geen verandering in. Verder viel me tevens de aanwezigheid op van Will Kimbrough en Gretchen Peters.
In totaal bezit ik nu zeven albums van Tom Russell, en Mesabi overtuigt dusdanig dat ik van harte opnieuw verder ga graven in zijn discografie. Krijg het gevoel dat ik Russell’s backlog beslist nog meer te bieden heeft. Wist Gretchen Peters tijdens hun samenwerkingsalbum voor mijn gevoel de meeste “credits” te vergaren, moet ik toch bekennen dat ik Russell met dit album mijn interesse hernieuwd gewekt heeft. De man is een klasbak,en hetgeen Mesabi bevat is daarvan een eenduidige bewijs. Ik ben overigens weg van de door Russell zelf geschilderde hoes.
Homepage: http://tomrussell.com/
|
June Tabor & Oysterband: Ragged Kingdom
Hans Jansen 5-10-2011
June Tabor, grande dame van de Engelse folk, behoeft hier amper introductie. Nog dit jaar bracht zij haar jongste solo-album, Ashore getiteld, uit. Een welhaast klassiek getoonzette auditieve ervaring van jewelste die eerlijk gezegd toch ook enige frivoliteit ontbrak. Over frivoliteit en vooral dynamiek valt op het samen met folk-rockers Oysterband geconcipieerde Ragged Kingdom in het geheel niet te klagen. Het betreft hier een vervolg op het ruim 21 jaar geleden samen uitgebrachte en wisselvallige Freedom and Rain.
Tabor & Oysterband lijken op Ragged Kingdom her en der regelrecht terug te grijpen op de donkere en broeierige energie van de post-punk eind jaren zeventig en begin jaren tachtig vorige eeuw. Legendarische vaandeldragers Joy Division vertolkten exemplarisch de kilte van de koude oorlog op zijn hoogtepunt en de Europese economie tegelijkertijd op zijn dieptepunt. Love Will Tear Us Apart wordt hier met veel respect voor het origineel vastgelegd. Volksmuziek uit de 20e eeuw inderdaad. Ook P.J. Harvey’s That Was My Veil en traditional Judas (Was A Red-Headed Man) kennen de klankkleur uit diezelfde tijd. Stuwende donkere bastonen vergezellen de rollende en roffelende drums alsof Martin Hannett voor de productie tekende. Ragfijne akoestische snaarinstrumenten liggen hier als verfijnd brokaat op het donkerpaarse fluweel.
Naast deze stemmingsvolle donkerte is er ruim plaats voor traditionals als Bonny Bunch Of Roses voorzien van een intro die in een spaghetti-western niet misstaan had. Samen met Oysterband’s John Jones duetteert Tabor in het energieke Son David afkomstig uit de Scandinavische/ Amerikaanse traditie en het uit diezelfde windstreken afkomstige If My Love Loves Me. Uitgebracht op single zou dit in een ideale wereld zomaar een alternatieve radio hit zijn.
Rustpunten zijn o.a. het geheel vocale (When I Was No But) Sweet Sixteen en Shel Silversteins over de Amerikaanse burgeroorlog handelende The Hills Of Shiloh. De grote bard Dylan wordt hier geëerd met een davererende versie van zijn Seven Curses. Afsluiter is het overbekende The Dark End Of The Street, soul en folk in optima forma.
Folk-rock met tonen van post-punk verlenen Ragged Kingdom de nodige glans. Onweerstaanbaar voor vleermuizen en folkies van toen en nu.
Topic Records, releasedatum 19 september 2011.
|
















Jerry Giddens: Livin’ Ain’t Easy
Jerry Giddens heeft sinds kort een nieuwe CD uitgebracht; Little Demons. Tegenwoordig is hij docent aan de universiteit van Tulane in de staat Louisiana, maar in een ver verleden was hij een fulltime muzikant. Leefde van de muziek, en schreef verschillende bezielde songs. Hij was/is frontman van de band Walking Wounded (Ze hebben diverse politiek geladen albums op hun naam staan, waarvan Artifical Hearts - uit 2002 - wellicht de bekendste is), maar mijn belangstelling ging primair uit voor Giddens als solo artiest. Zijn eigen thema’s beperken zich tot beschrijvende verhalen, fantasierijk zowel als persoonlijk. Poëtisch, maar overtuigend als een eigentijdse Film Noir. Mijn eerste kennismaking met zijn muziek was dankzij Livin’Aint’t Easy uit 1989. Uitgebracht op het Sawdust Records, een onderdeel van het befaamde Duitse Line label, waar rond die periode zoveel illuster materiaal verscheen. Reden om eens een blik terug te werpen in zijn muzikale verleden.
De openingssong van Livin’ Ain’t Easy vond ik indertijd fascinerende vanwege de zeer rechtstreekse tekst. Was die serieus, of slechts een onderkoeld soort zwarte humor. De openingsregels liegen er niet om: Remember Reuben Salazar? His head blown off in a barrio bar. He still walks in East L.A. i thought I saw him Yesterday. Ook de daarop volgende nummers vertonen een vergelijkbare tendens. In The Train volgt het verhaal van the Weasel & the Cricket. Wederom een macaber scenario, ditmaal met een open einde. De muziek van Giddens was duister op die plaat, met daaraan voor mij gekoppeld een mengeling van humor en ongeloof. Het leven is niet eenvoudig is de les van dat album. Ondanks het tekstuele gehalte wist ook de muziek mij te boeien. Geen elektrische powerrock, maar teruggehouden akoestische settings, soms nagenoeg live. Ondanks de haast voelbare muzikale spanning bleef het ingetogen karakter van deze plaat de boventoon voeren. Wanneer ik nu Livin’Ain’t Easy beluister dan hoor ik primair een kleine bezetting die de tijd wist te bevriezen. Jerry Giddens trekt met zijn rauwe zang de meeste aandacht in deze “pre-Americana” plaat. Eentje die nog steeds de moeite van het beluisteren waard is. Bijna ben ik geneigd te zeggen, een beeldend beschreven liefdesliedje voor de onbereikbare Diana “dat maken ze tegenwoordig niet meer”. Onzin natuurlijk, maar mijn voorstellingsvermogen wordt wel aangewakkerd wanneer ze stil voor hem danst, en hij zinnen gebruikt als “It’s getting real quiet on the freeway and all I can hear is the radio blowin’ soft and low” terwijl Jerry en Diana zoevend door een uitgestrekt landschap rijden.
http://jerrygiddens.com/
| Bob Martin: Last Chance Rider
In 1988 kocht ik – in tegenstelling tot de meeste van mijn muziekvrienden – nog steeds langspeelplaten. In dat jaar stapte ik wel over, net als hen, naar een inmiddels eveneens achterhaald formaat. Eén van de laatste exemplaren moet geweest zijn: Frank Zappa’s Guitar. Een dubbel-lp waarop ik mijzelf trakteerde. Mijn vrouw was in april van dat jaar bevallen van mijn oudste zoon, en ik beleefde een euforische roes aan gelukzaligheid. Niet lang daarna zette mijn muziekverzameling zich door in de vorm van deze nieuw geformatteerde geluidsdragers. Met name het compacte element spraak me enorm aan. Dat het geluid superieur zou zijn – toen had men ook al slimme verkooppraatjes - viel reuze mee. Rond 1998 bracht ik mijn lp-verzameling terug tot ongeveer 100 stuks. Het grootste aantal verkocht ik op de Utrechtse platen- en cdbeurs. Herinner mij een Japanner die – zeer tevreden - drie Nico platen van me overnam. Achteraf heb ik spijt gehad dat ik mijn exemplaar van Eric Taylor’s Shameless Love verkocht heb (de geanticipeerde heruitgave op cd liet veel langer op zich wachten dan ik vermoedde). Ook het gelijknamige debuut van David Forman (Op Arista) had ik toen niet moeten laten gaan. Alles wat me verder lief was uit die periode staat nu nog steeds in de kast. Uitsluitend platen die me qua muziek dierbaar zijn, of omdat ze een herinnering levend houden.
Sindsdien heb ik nog incidenteel platen gekocht. Enkel wanneer het muziek betrof van artiesten wiens desbetreffende werk niet voorradig was op cd. Last Chance Rider van Bob Martin viel automatisch in die doelgroep. Zijn The River Turns the Wheel vond ik dusdanig indrukwekkend dat ik meer muziek van deze man moest horen. Wanneer muziek voor het oprapen ligt dan schenkt mij dat minder bevrediging als wanneer er een zoektocht aan vooraf ligt. Het vinden van Last Chance Rider nam enige tijd in beslag, maar werd uiteindelijk beloond. Gelukkige als een kind ook al betrof het geen gaaf exemplaar. Het was zelfs een promotioneel exemplaar afkomstig van een radiostation en bevatte een lichte beschadiging aan de hoes. Op de achterzijde staat met ballpoint bijgeschreven: “Sounds like Bob Dylan” Niet een titel die veel verkocht zal zijn buiten Kentucky, maar dat deerde me totaal niet. Ik wilde primair de muziek. Het vinyl zelf was in uitmuntende staat, amper gespeeld. Een conversie naar cd was zo gemaakt en sindsdien staat de fysieke Last Chance Rider naast Dave Mason’s It’s Like You Never Left.
De muziek was zoals ik gehoopt had. Een singer songwriter die waarde hechte aan een traditioneel stuk muziek. Als country folk zou ik het willen omschrijven, met banjo, pedal steel en fiddle, en uiteraard Bob die zichzelf begeleidt op gitaar, piano en mondharmonica. An Old Time Country Tune that brings you back to me: schalde door de speaker, alsof de plaat een terechte eindbestemming had gevonden. Tien nummers slechts, maar wel nummers met een ziel. Een nummer als Appalachia Lullaby spreekt me nog steeds enorm aan. De wijze waarop Martin zijn gevoel voor de stad schets, in contrast met de warmte van het platteland. Ook het poëtische Hotel St. James is sindsdien nog geen moment vergrijsd. Like a Good Ship giving Passage, To the poor and disconnected. Make a new man resurrected. Where the old man used to be. Bob schets het verhaal van een zwerver die op straat wordt gevonden met als schamele bezitting een vergeelde foto van een leven dat hij ooit had.
(Lonely) Last Chance Rider dateert origineel van 1982, en verscheen indertijd op June Appal Recordings. Op een bijschrift staat vermeld: “Bob Martin is a singer/songwriter of sleezy hotels, mill town bars and all night diners. After his first album in 1972 on the RCA label entitled, Midwest Farm Disaster, Martin traveled extensively with a band for three years playing “a lot of strange places. Shortly after 1974, he vanished from the music scene.” Via Hans Jacobs’ bemiddeling staat hij echter binnenkort – maart & april - weer op een aantal podia in ons land. De tour is gedoopt Last Chance Rider. Ik hoop dat Bob Martin een aantal nieuwe songs meeneemt. Songs geslepen tot in de kleinste details door deze perfectionist, en uiteraard mag hij en passant een cd-uitgave meenemen van Last Chance Rider. Graag zelfs! Jezelf dertig jaar verborgen houden lijkt me genoeg.
http://www.riversong.com/
http://www.youtube.com/watch?v=qNrlXI2n-Tw
|
Anais Mitchell: The Song They Sang…When Rome Fell
Iedereen heeft zo zijn eigen favoriete artiest. Zelf heb ik meerdere. Heb moeite met keuzes maken wanneer het criterium “smaakvol” in zichtbaar wordt. Eén van de vrouwelijke singer songwriters waarbij bij mij mega verwachtingen werden gewekt was Anais Mitchell. Haar Hymns for the Exiled sloeg indertijd in als een bom, fascinerende, pakkende openingsregels. Als een absolute topplaat ervoer ik dat toen, en doe dat nu nog steeds. Een plaat die instant onderhuids kroop. In eerste plaats vanwege haar diepgravende teksten. Ze protesteerde enerzijds tegen de gevestigde orde, was anderzijds begripvol, zich realiserend dat het ene niet functioneert zonder het andere. Discipline en compassie kunnen blijkbaar wel degelijk samengaan. Elementen die binnen mijn boekje onoverkomelijk aan elkaar verbonden dienen te zijn. Naast de informatieve lading binnen haar teksten – ze heeft een journalistieke opleiding gevolgd – weet ze me primair te roeren. Haar teksten zijn geen oppervlakkige verhaaltjes, maar zijn uiteenzettingen met emotionele betrokkenheid. Haar komende CD (verwacht per februari 2012) verraadt in zijn titel dat Anais wederom valt op een onderwerp welke haar inspireert en raakt. Een terugkerend thema in haar werk. Wilderland, Young man in America is volgens mijn inschatting een album dat handelt over de veranderende wereld. Het registreren van een teloorgaande maatschappij, zoals Rome destijds. Zijn we in staat het roer te wenden?
Haar debuut, The Song they sang…When Rome Fell, dateert van 2002. Ze nam dit - inmiddels niet meer verkrijgbare- album op in één middag te Austin, Texas. Om precies te zijn op haar 21e verjaardag, 26 maart 2002. Het album droeg ze op aan haar broer en al diegenen “who keep rocking the boat in the free World!”. Een volwaardig folk album met uitsluitend Anais, een akoestische gitaar, en haar bezwerende stem. The Calling opent het album gedurfd waarvan de eerste zinnen a capella. Een plaat van een jonge vrouw die weliswaar jong zelfstandig is, maar haar weg zoekt in een intrigerende wereld. Geen wereldplaat, maar wel eentje gevuld met eigenzinnige gedachten. Muziek van een jonge vrouw die de liefde bezingt, ruzies met haar lief beschrijft, en daarna hun conflict bijleggen. Ook bevat dit album al een eerste versie van de titelsong van haar volgende plaat:
One two three four five six seven The word came down to him from heaven And naked as an animal he knew Everything of flesh and bone He could call it all his own If he could name it He could lay claim to it too But after all the word was spoken You sent him out into the open All alone to make his broken promise Whole again Eight nine ten eleven twelve Did you see how far he fell And did you watch him Covering his body in his shame Wanting you near him Though you couldn't hear him He was falling down With your name in his mouth
In 2003 ontvangt ze niet alleen een nominatie tijdens het prestigieuze Kerrville Folkfestival, maar blijkt tevens 1 van de winnaars. Haar eerste stappen naar roem lijken hiermee gezet. Het jaar erop verschijnt via Andrew Calhoun’s platenlabel Waterbug haar doorbraak naar een groter publiek. Ani DiFranco die zich daarna met alle goede bedoelingen over haar ontfermt. The Song They Sang … When Rome Fell is ontwapenend vanwege zijn eenvoud, ontbeert wellicht de klasse van zijn opvolger, maar blijft desondanks een volwaardige steen binnen haar repertoire.
Ik lees wel eens dat sommigen moeite hebben met haar zang, alsof ze van de helium heeft gesnoept. Stap simpelweg over dit vooroordeel heen, na drie luisterbeurten is dat mogelijke euvel al geen issue meer. Begin bij haar tweede, een plaat die barst van uniek luistermateriaal. Eentje om naar uit te kijken. Een veelzeggende plaat die Anais Mitchell onderscheidt van de meeste hedendaagse zelf componerende zangeressen. Een plaat die rust uitstraalt. Luister ter illustratie naar een nummer als Orion,waarin ze afscheid neemt van een collega muzikant die dood gevonden werd in zijn appartement, of I Wear Your Dress, die zich niet beperkt tot een eerbetoon aan haar grootmoeder, maar een vergelijking schets tussen het verleden en nu.
http://anaismitchell.com/
| Kim Stockwood: Back To The Water
Dit album is al eerder dit jaar verschenen. Door omstandigheden kwam ik er pas later in het jaar echt aan toe om dit werkje te laten beklijven. Ik wil jullie dit album echter niet onthouden.
Ik zag dit jaar een aantal albums uitkomen met als thema 'water'. Naast June Tabor bracht ook Anna Coogan een album uit waar dit centraal stond. Ook de Canadese singer-songwriter Kim Stockwood bracht een album uit waarop water het belangrijkste thema is.
Kim Stockwood is in Canada bekend geworden met het folk-pop damestrio Shaye. Maar al sinds 1995 brengt ze ook solo-albums uit. Haar dit jaar uitgebrachte album Back To The Water is haar vierde solo-werkje. Daarnaast heeft ze een eigen ochtendshow op de Canadese radio. Stockwood woont en werkt al jaren vanuit Toronto, maar heeft haar geboortegrond in St. John's in de staat Newfoundland And Labrador. Dit is een staat liggend in het uiterste oosten van Canada, waar historisch vele Engelse, Ierse en Franse invloeden bijeenkomen. Het is een provincie met vele meren en ruwe rotsen en kliffen en liggend aan de Atlantische oceaan. Het is tevens een broedplaats voor muzikaal talent. Naast Stockwood komen uit hetzelfde gebied ook mensen als Amelia Curran en Glen Tilley die ook op dit album act de precense geeft.
Ik heb onlangs een documentaire gezien over het gebied en kan mij voorstellen dat Stockwood zo nu en dan heimwee heeft naar dit gebied. Dat zou verklaren waarom ze op Back To The Water terugkeert naar St. John's om daar met een aantal locale muzikanten een album vol folk en traditionals uit Newfoundland And Labrador op te nemen. Uit deze indrukwekkende collectie songs zijn duidelijk de Engelse, Ierse en Franse invloeden te horen uit de koloniale periode. De accordeon bijvoorbeeld neemt een grote rol in op het album. Daarnaast is de Engelse folk nooit ver weg en zijn ook Ierse muzikale aspecten, zij het minder, terug te horen.
In ieder geval heeft elk nummer een verhaal en kern die te maken heeft met de binding die het gebied met water heeft. De cd opent met het mooie St. John's Waltz en verhaalt over deze idyllische stad aan de Canadese kust. Het is een van de twee nummers die Stockwood van de plaatselijke songwriter Ron Hynes heeft opgenomen. De ander is Atlantic Blue, een hartverscheurend verhaal over de 84 verloren levens die er te betreuren waren na het zinken van een olieplatform aan de kust van Newfoundland in 1982. Now I'm 64 is afgeleid van een traditional en gaat over het snelle verstrijken van de tijd en het verlangen naar vroeger dagen. Naast vele oude traditionals en werk van andere songwriters heeft Stockwood één eigen nummer opgenomen: Back To The Water, het titelnummer. Het is haar ode aan haar geboortegrond en de binding die zij, en de meeste mensen die opgegroeid zijn aan het water, met dat water hebben.
Het is een heerlijk en eerlijk folkalbum geworden dat lekker losjes ingespeeld is en het spelplezier is duidelijk terug te horen. Dit in tegenstelling tot het album van June Tabor dat, hoewel van een grote schoonheid en pracht, nogal zwaar op de hand is. Zoals eerder aangegeven is het muzikaal een cd die door de historisch bepaalde invloeden door liefhebbers van de Canadese en Britse folk zeker gehoord mag worden. Voor mij in de folk scene een van de mooiere albums van dit jaar.
|
Cara Jean Wahlers & Grover Parido: Goodnight Charlotte
Een van de mooiere cds van 2010 - waar recentelijk mijn aandacht op viel - is deze van Cara Jean Wahlers & Grover Parido. Zeer terecht wordt vermelding gemaakt van de cellist Parido, want zonder zijn sfeervolle inbreng had dit album geheel anders geklonken. De zalvende genoeglijke zang van Cara Jean sluit overigens weldadig aan bij de sfeer die dit album prijsgeeft. De composities zijn van hun beide, geschreven over de periode van een aantal jaren. Over verdere musici wordt op dit album niet gerept, met uitzondering van de harmonieuze achtergrondzang van Cathy Parido in het nummer Angels.
Wie verantwoordelijk is voor het vlotte basspel op Next to You kan ik derhalve niet met zekerheid beantwoorden. Goodnight Charlotte valt qua genre te rubriceren binnen de eigentijdse folk. Het tempo ligt laag, de liedjes zijn bewust klein gehouden en zijn volledig akoestisch. Een stil album. Waarom hen zo weinig aandacht ten deel is gevallen valt slechts te raden. Evengoed durf ik dit album te classificeren als uitzonderlijk mooi. Tien mooie nummers; zoals Heroes, waarin een mooi sfeertekening wordt gecreëerd met de naderende winter. Of een nummer als Black Dog, waarbij de herinnering aan een verleden relatie met een zekere Steve wordt beschreven, en zijn zwarte hond. Vandaar een terechte verwijzing naar Led Zeppelin. Marks on the Earth ervaar ik als een van de uitschieters. Een poëtische beschreven gebroken hart. Niet alleen een sterk nummer vanwege de tekst, de kracht van dit nummer zit tevens in de samenzang tussen Cara Jean en de cello van Grover.
Two hearts Burned their marks On the earth Last night In front of God And the trees And the sky And their smoke Filled the air With poisonous words And awkward despair Like the last time They were feeling This alone I'm tired of trying to prove that I'm beautiful Burning for you I'm tired to trying to prove that I'm good enough Broken hearts can burn, too
De ambiance die Goodnight Charlotte oproept is vergelijkbaar aan de muziek van een band als Over the Rhine, terwijl ik ook Diana Jones binnen diezelfde context durf te noemen. Mocht je voor het eind van dit jaar nog van zins zijn een bestelling plaatsen bij CDbaby, dan raad ik je aan deze plaat toe te voegen. Durf met overtuiging te stellen dat hij in de smaak valt. Muziek voor hoofd en hart. Ideaal voor de donkere dagen, en de periode rond kerst.
http://www.carajeanwahlers.com/
http://www.cdbaby.com/cd/wahlersparido
| Kevin Meisel: Coal and Diamonds
Tot dusver heeft Kevin Meisel de belofte nog niet in mogen lossen. Zijn debuut was indertijd zeer veelbelovend, maar een gelijkmatige of stijgende trend werd niet ingezet. Die eerste was een eenduidig americana-product; duister en gruizig, vol van Springsteeniaanse invloeden. Een afgemeten geheel van countryfolk. Zijn latere albums kregen niet die mate van aandacht dat ze werden opgepikt. Wellicht lag het aan de inhoud, mogelijk aan de aansturing, want ook op dat front wil e.e.a. wel eens tekortschieten. Zijn vierde – Black Orchard Songs – is onlangs verschenen. De eerste impulsen die ik oppikte waren enthousiast, en het zou fantastisch zijn wanneer deze man zijn reikwijdte kan verruimen. Coal and Diamonds werd overwegend thuis in Belleville, Michigan geschreven en opgenomen. Ergens in de periode februari 1997 en mei 1998. Thematisch heeft deze artiest veel “geleend” van Bruce Springsteen, echter de ingetogen zang scoort punten bij mij. De longinhoud van The Boss komt mij soms iets te centraal op het mengpaneel. Tijdens het wordingsproces openbaarden de nummers van Coal and Diamonds zich fragmentarisch aan Meisel. Restte hem de taak ze tot een eenheid te smeden. Kenners die de groeven van hun geheugen aftasten kunnen zich ongetwijfeld herinneren dat het complete album als eenheid aanvoelt.
Dit debuut kwam tot stand via het label One Man Clapping. Een zorgzaam label die meerdere artiesten onder zijn hoede had genomen. Naast Meisel als vertolker van het Amerikaanse gevoel voor vrijheid en onbaatzuchtigheid bevatte dit label ook voortreffelijke albums van Chris Buhalis, Lisa Hunter, Jim Roll, Gary Cornelius & Brian Lillie. Dit label voelt aan als het teruggrijpen naar een schoenendoos volgestouwd met oude herinneringen. Ook een blues geïnspireerde artiest als Rollie Tussing bloeide op dat label. Zijn album Blow Whistle Blow is fantastisch luistermateriaal, helaas ondertussen onverdiend ook zo’n verstoft, ondergewaardeerd album. Allemaal muziek die voortkwam uit hetzelfde gedachtegoed, en deze bezieling terugbetaalde in de vorm van muzikale inspiratie. Coal and Diamonds is een aaneengeregen verzameling van juweeltjes. Een gevoelig nummer als Train Wreck at Cajon Pass handelt over afscheid nemen, en grijpt me nog net zo aan als ruim 10 jaar geleden. Ook in Tethered Angels laat Meisel horen bedachtzaam zijn woorden te kiezen. Verhalend. Spanning opbouwen, waarbij hij een onoverkomelijk einde niet schuwt. Traditionele muziek zoals deze veroudert amper. Het luistergenot is nog lang niet gedoofd, en deze hernieuwde kennismaking doet me uitzien naar Black Orchard Songs. En indirect tevens hopen dat de distributie voor deze man’s werk verbetert.
http://kevinmeisel.com/
|
Bruce Springsteen: Nebraska
“I saw her standin' on her front lawn just twirlin' her baton / Me and her went for a ride sir and ten innocent people died / From the town of Lincoln Nebraska with a sawed off .410 on my lap / Through to the badlands of Wyoming I killed everything in my path / I can't say that I'm sorry for the things that we done / At least for a little while sir me and her we had us some fun.”
Met die vier zinnen opent de titeltrack van Nebraska, de vijfde plaat van Bruce Springsteen. Het is 1982, ik ben zesentwintig en op weg om voor de eerste keer van mijn leven vader te worden. Samen met twee wapenbroeders speel ik in een band die zich muzikaal ophoudt tussen Iggy Pop en The Clash, maar iets minder goed. De naweeën van de punkexplosie, enkele jaren eerder, daveren nog steeds door mijn aderen. De authenticiteit die in de seventies van lieverlee uit de muziek verdween, is in volle glorie hersteld door stelletjes ongeregeld uit de Engelse voorsteden, jonge kerels en meiden die naar gitaar en drums grijpen om hun onvrede met de maatschappij uit te schreeuwen. Ruw, brutaal, kwaad, ongegeneerd, opwindend en bij voorkeur loeihard.
Tussen al die woede en ontevredenheid biedt Springsteen mij een ander perspectief, dat van het geloof in een soort herrijzenis: niet alles verzandt in uitzichtloze ellende, er is altijd plaats voor hoop. En dat is een geruststellende gedachte, zo op de grens van het vaderschap. Born To Run is een openbaring en tegelijk een plaat waaruit eens te meer blijkt dat de Amerikaanse droom fictie is voor velen en een feit voor weinigen. Maar dat dit niet per definitie wil zeggen dat je alle hoop maar moet laten varen. Dat beeld wordt op Darkness On The Edge Of Town en The River nog eens dunnetjes in de verf gezet. Ik houd van de manier waarop Springsteen zich identificeert met zijn personages, het mededogen dat hij voelt voor degenen wier dromen nachtmerries blijken te zijn: the hustlers and the losers. Of de gewone werkende mensen, lieden die hun gezondheid naar de donder hebben geholpen om hun gezin uit de hardvochtige klauwen van de misère en de speculanten te houden.
En dan is er ineens Nebraska. Eigenlijk is het niet eens een plaat in de strikte zin van het woord maar een verzameling demo’s waarop je een stem, mondharmonica, elektrische gitaar en akoestische gitaar hoort. Ondanks het feit dat de plaat niet de energie van de punk uitstraalt, herken ik meteen een overeenkomstige gedachte. Deze tien songs zijn zo rudimentair, zo ongepolijst, zo eerlijk, zo desolaat, dat ze dezelfde kracht uitademen. Nebraska is donker, misschien wel de donkerste plaat die Springsteen ooit uitbracht, en het is net dat duistere dat me de troost biedt als Rudi, een van mijn wapenbroeders – een monument van rust, een begenadigd gitarist en een nog begenadigder mens – tijdens een onschuldig zwempartijtje verdrinkt. De avond voordien hadden we nog een nieuw nummer ingeoefend.
Het plotselinge verlies zindert door mijn ziel, ontwricht mijn leven, ontploft als een bom in mijn vriendenkring en luidt het einde van onze rockband in. Er gaat geen dag voorbij waarop ik Nebraska niet uit de sobere hoes haal. Ik zit achter het stuur van auto’s die ik nooit had, kijk naar huizen die je hier niet vindt, rij over highways die ik alleen van films ken. Ik droom weg naar plaatsen waar ik nog nooit geweest ben, zoals Atlantic City. In de gelijknamige song zingt Springsteen twee zinnen die me houvast bieden en die ik later, op dagen dat verlies blijvend is en als een dolleman door je lichaam raast, als een soort mantra herhaal: “Well I guess everything dies baby that's a fact / But maybe everything that dies someday comes back.” Ik kijk uit naar die dag…
Muziek lost niets op, maar het helpt en verzacht en verwarmt je hart als dat koud dreigt te worden. Dat is wat Nebraska, bijna dertig jaar nadat ik de plaat voor het eerst hoorde, nog steeds voor me doet. Soelaas, schoonheid en geestelijke rust bieden.
| Various Artists: The Fame Studios * 1961-1973
Tussen alle reguliere albums door kan ik enorm genieten van soul. Mijn voorkeur ligt binnen dat genre dan toch primair bij de begin jaren. Ik kies dan niet alleen de standaard klassiekers, maar hoor evengoed relatief onbekend werk. Het aanbod kan me voor de rest eerlijk gezegd niet gevarieerd genoeg zijn. Een Haute Cuisine aanbieder – er zijn meerdere die in deze tak van sport actief zijn – is Kent Records/ACE. Dat hun kluizen rijkelijk gevuld zijn blijkt ook nu weer. Dit is overigens de trendvolger van de ultiem mooie box die uitkwam in het najaar van 2008; Take Me to the River. Dat een vergelijkbaar procedé wordt toegepast wijst op het succes van de vorige box. Ook nu zijn kosten nog moeite gespaard op de research. Het geheel is wederom zeer uitvoerig gedocumenteerd. Voor mij duidelijk dat de samenstellers van deze 3 schijfjes gemotiveerd werden door hun liefde voor deze muzieksoort. Het bijbehorende boekwerkje bevat welgeteld 84 pagina’s. Voorzien met de meest gedetailleerde informatie en schitterende foto’s uit de periode dat deze studio’s te Alabama actief waren.
Voor de echte kenner zal het “onbekende” ongetwijfeld reuze meevallen. Voor mij is dit album in de eerste plaats een ultieme inhaalslag. Ik herken voldoende gevierde artiesten, maar ontwaar een zelfde volume aan obscure acts. De lezer kan via de bijgeleverde link zich verlustigen aan de variatie aan artiesten die deze set bevat. Nummers als Gonna Make You Say Yeah van Terry Woodford zijn kort, maar trekken je automatisch terug in de tijd. Dit product is aanrader voor iedereen die de romantiek van deze periode in de soul wenst te herleven. Er komt zelfs een incidentele blanke act voorbij, zoals o.a. One Bad Apple van de jeugdige Osmonds, waarna het donkere stemgeluid van Spencer Wiggins voortgaat in een met blazers gevulde versie van I’d Rather Go Blind. “Een onontkoombare aanschaf” is hierbij slechts een welgemeend advies. The Fame Studios legt met dit product eenvoudigweg zijn ziel bloot.
Bron: http://www.acerecords.co.uk/content.php?page_id=59&release=8849
|



